Zeereis (2)

We lieten zeezeiler Rob Biersma, op weg naar Brazilië, gisteren in zijn kooi achter. Slapen, vertelde hij, dat ging nog wel, maar eten – dat was een stuk moeilijker. Hier komen we bij een essentieel aspect van de reis.

Zo'n schip is voortdurend in beweging, vooral als het met de passaat worstelt, wat steeds het geval was. Windkracht vier tot vijf, golven van twee meter, allemaal niets bijzonders, maar het betekende wel dat je je de hele dag overal aan moest vastklampen. Een glas inschenken, een bord op tafel houden, gewoon een boek lezen – het was geen doen.

Er waren meer beperkingen geweest. Heel vermoeiend was ook de omstandigheid dat je bij elke handeling in de krappe ruimten onderdeks moest vragen: ,,Ga even opzij.'' Daarom was je wel blij met het wachtlopen 's nachts, dan had je het schip even voor jezelf.

Is er eigenlijk wel zoiets als privacy op zo'n schip? Nee, en nog eens nee, tenzij je een eigen hut hebt, zoals de eigenaar-gezagvoerder. De anderen zien en merken alles van elkaar. Dat kan een grote bron van ergernis worden. Mensen gaan elkaar soms diep haten, er ontstaan ruzies en vechtpartijen. Gelukkig hadden zij daar geen last van gehad. Wat niet inhield dat in de intermenselijke sfeer alles vlekkeloos was verlopen.

Tevoren kende Biersma alleen de Nederlandse eigenaar. De voertaal aan boord was Engels, omdat er een Russin en een Duitser bij waren. Van dat Engels had hij op den duur een kromme tong gekregen, omdat niemand, hijzelf incluis, het echt goed beheerste. En het leek wel of hun Engels steeds beroerder werd naarmate de tocht vorderde. Hij had niet verwacht dat dit zo bezwaarlijk zou zijn. Een volgende keer zal hij erop aandringen dat de reizigers uit hetzelfde taalgebied komen. Trouwens, het liefst zou hij dan met één medemens zeilen, dat is voor hem wel genoeg.

Dan was er nog iets, en dat vond hij misschien wel het vervelendst. Ze waren voor de buitenwereld zo goed bereikbaar geweest op dat schip, overdreven goed. E-mailen was mogelijk en er was ook een satelliettelefoon aan boord. Dus als iemand jarig was, dan werd er gebeld. De telefoon ging soms wel twee keer per dag. Als er naar iemand gevraagd werd, had je de aanvechting om te zeggen: nee, die is er niet.

Het had ook wel een comfortabele kant, zeker. Het was gebeurd dat ze midden op zee een technisch euvel hadden gekregen. Improviseren, dat had hem wel leuk geleken. Maar nee, het was veel handiger om even de dealer van het schip in Nederland te bellen. Hallo dealer, wij hebben een probleempje. Aldus geschiedde. De dealer had de oplossing meteen geweten. Gemakkelijk toch? Jawel, maar er knaagde iets.

Hij had tevoren opgezocht hoe de Oost-Indiëvaarders zich destijds via dezelfde route hadden gered. Dat waren nog eens ontberingen geweest. Dat getelefoneer verstoorde een illusie: die van de avontuurlijkheid.