Werken aan jezelf is niet voldoende

Nog altijd wordt Aurelius Augustinus gezien als de man die alle menselijke plezier wist te smoren in inktzwarte gevoelens van zonde en schuld. Drie boeken doen een poging om de kerkvader te rehabiliteren: hij was een bewogen theoloog die zich bekommerde om de gewone man.

Twee keizers gelden nog steeds als de verantwoordelijken voor het einde van de klassieke cultuur. Diocletianus (284-305) maakte door de centralisatie van het rijksbestuur een einde aan de laatste resten van de Republikeinse vrijheid en zijn opvolger Constantijn (306-337) gaf de lange traditie van religieuze tolerantie op door de christelijke kerk boven alle andere godsdiensten te bevoorrechten.

De eeuwenoude strijd tussen Oost en West, tussen vrijheid en slavernij, tussen verdraagzaamheid en fanatisme, die met de door Herodotus bezongen oorlogen tussen Grieken en Perzen was begonnen, werd achthonderd jaar later alsnog beslist in het voordeel van het Oosten. De hoofdstad werd verplaatst van Rome naar Constantinopel, en de keizer hield op eerste (princeps) onder zijn gelijken te zijn. Hij werd een theocratisch monarch van oriëntaalse snit, getooid met titels als `apostelgelijke', of `plaatsbekleder' van Christus. Edward Gibbon, die met zijn magistrale History of the Decline and Fall of the Roman Empire (1776-1788) het beeld van de late oudheid tot nu toe heeft bepaald, noemde het de `triumph of religion and barbarism'. Het mag dan ook niet verbazingwekkend heten dat de periode van de late oudheid tot voor kort alleen de interesse vermocht te wekken van kerk- en dogmenhistorici, die de periode vooral bestudeerden om de aanspraken van de kerkgenootschappen waartoe zij behoorden van een historische stoffering te voorzien.

Niemand is van dit vooroordeel meer het slachtoffer geworden dan Aurelius Augustinus (354-430). Als jongeman maakte hij een bliksemcarrière die bekroond werd met een aanstelling aan het keizerlijk hof in Milaan. Maar in 386, op dat hoogtepunt van zijn leven, bekeerde hij zich tot het christendom, keerde terug naar zijn Noord-Afrikaanse geboortegrond, werd daar bisschop van het kleine havenstadje Hippo en bleef dat tot aan zijn dood. Gibbon besteedde in zijn werk, toch meer dan 4.000 bladzijden in zes kloeke delen, aan Augustinus niet meer dan één korte alinea waarin hij hem `prees' om zijn vurige ijver in de strijd tegen de ketters om vervolgens met nauwelijks verholen genoegen vast te stellen dat zijn belangrijkste erfenis een `rigid sytem of Christianity' was, dat in later eeuwen door de kerk publiek bejubeld, maar heimelijk betreurd werd.

Ook in overzichten van de filosofie wordt Augustinus' naam wel genoemd, maar hij behoort niet echt tot de canon van de westerse cultuur, zoals Plato, Erasmus, Descartes, Kant, Hegel en Nietzsche. Om Augustinus blijft altijd de geur hangen van een door seks geobsedeerde somberaar die de mensheid verdeelde in een klein getal van uitverkorenen en een grote massa van verloren zielen die reddeloos de verdoemenis tegemoet snelden. Zeker in het calvinistische Nederland herinnert men zich Augustinus als de man die er op briljante wijze in is geslaagd om iedere vorm van plezier in het leven te smoren in inktzwarte gevoelens van zonde en schuld.

Er zijn nu drie boeken verschenen die zich ten doel stellen Augustinus voor onze tijd te rehabiliteren. Martijn Schrama is lid van de orde der Augustijnen en dat tekent zijn boek Augustinus. De binnenkant van zijn denken. Het is een boek geschreven voor insiders, voor medechristenen, gebaseerd op lezingen die Schrama de afgelopen jaren gehouden heeft. Het zou mij niet verbazen als dat lezingen voor kloosterlingen geweest zijn, gezien de stichtelijke toon van het werk en het feit dat onder de vele thema's uit het werk van Augustinus die hij behandelt, het huwelijk opvallend afwezig is. Terwijl Augustinus daar toch een heel boek over heeft geschreven, waarop de christelijke huwelijksmoraal nog steeds gebaseerd is. Schrama wil zijn lezers ervan overtuigen dat Augustinus geen dorre dogmaticus was, maar een mens van vlees en bloed. Nu moest dat hoognodig gebeuren. Het is voor een rehabilitatie van de man van primair belang te laten zien dat hij geen depressieve Zuid-Hollandse calvinist was, maar een levenslustige Noord-Afrikaan, wiens aandacht voor het eeuwig leven op geen enkele wijze zijn plezier in het aardse bestaan vergalde. Of Schrama daarin slaagt, betwijfel ik. Hoewel het boek getuigt van grote vertrouwdheid met het werk van Augustinus, blijft Schrama te veel binnen de beperkingen van zijn aanvankelijke toehoorders en bovendien vermijdt hij de twee thema's die Augustinus reputatie uiteindelijk gemaakt hebben tot wat zij nu is: zijn leer over de predestinatie en zijn visie op seksualiteit.

Of een vertaling van De doctrina christiana veel zal doen voor een herstel van Augustinus reputatie, lijkt mij evenzeer de vraag. Wel is zeker dat dit werk klassiek is geworden in de geschiedenis van de westerse theologie. Bovendien ligt het hier vóór ons in een prachtige vertaling, gemaakt door twee eminente classici. Maar de probleemstelling van dit werk zal de lezerskring beperkt houden. Zoals alle andere christelijke intellectuelen in de oudheid zat Augustinus met het probleem dat hij enerzijds vast geloofde dat de Bijbel de uiteindelijke waarheid over alles bevatte, maar dat hij anderzijds heel goed zag dat de Bijbelboeken producten waren van een totaal andere cultuur, geschreven in een barbaars jargon, vol met rare, en vooral wrede verhalen, die op geen enkel punt de vergelijking konden doorstaan met de grote filosofische werken van de klassieke traditie.

Een mogelijke uitweg uit dit dilemma was het fundamentalisme: je houdt ondanks alle wetenschappelijke bewijzen van het tegendeel gewoon vol dat alles wat in de Bijbel staat letterlijk waar is, bijvoorbeeld dat de wereld in zes dagen geschapen is. Die oplossing is voor Augustinus uitgesloten, hij heeft er zelfs een diepe minachting voor: geloof kan nooit de plaats innemen van nadenken. Zijn argument is dat de Bijbel weliswaar Gods Woord bevat, maar dat hij in menselijke taal geschreven is en dus met menselijke instrumenten, zoals de filosofie, kan en moet worden bestudeerd. Het is fascinerend om te volgen welke krachttoeren hij allemaal uithaalt om dit primitieve boek voor een intelligent publiek acceptabel te maken. Zo gaat hij ervan uit dat, wat de tekst ook op het eerste gezicht lijkt te zeggen, deze nooit het centrale thema van de Bijbel kan tegenspreken, de liefde tot God en tot de naaste. Waar bijvoorbeeld wordt opgeroepen tot het doden van Gods vijanden (en die passages zijn niet zeldzaam), kan dat dus nooit op mensen slaan, het moet betrekking hebben op de duivel, onze enige echte vijand. De Bijbel moet niet letterlijk, maar geestelijk verstaan worden, en om dat bereiken ontwerpt Augustinus een theorie van de taal als symbolisch referentiesysteem bij uitstek.

Den Boeft schrijft in zijn inleiding dat de waarde van dit werk voor de huidige tijd juist ligt in zijn taalfilosofische argumenten. Dat moge zo zijn, maar uiteindelijk is al deze mentale acrobatiek toch alleen echt interessant voor wie Augustinus rotsvaste overtuiging deelt, dat de Bijbel Gods Woord is. Wie daar niet van uitgaat, zal na lezing van dit werk alleen tot de wat melancholieke conclusie komen, dat het toch eigenlijk verspilling van talent is om zoveel intellectuele brille te steken in een schijnprobleem.

De enige die er echt in slaagt om te laten zien dat Augustinus wel degelijk tot de grootste denkers van de westerse cultuur behoort, zelfs als je zijn christelijke uitgangspunt niet deelt, is Garry Wills in een essay dat uitmunt in helderheid en diepte van inzicht. Al op de eerste bladzijden zet hij het eerste grote misverstand recht. Augustinus was niet een man die voor zijn bekering geen vrouw met rust kon laten en die daarna iedereen seks misgunde, omdat hij het zelf had opgegeven. Weliswaar maakte hij op zeventienjarige leeftijd een meisje zwanger, maar hij nam daarvoor de volle verantwoordelijkheid op zich – ook al wist hij heel goed dat het zijn carrière kon schaden – door met haar te gaan samenwonen en hun kind samen op te voeden. Tot zij besloten uit elkaar te gaan, is hij haar altijd trouw gebleven. Ook na zijn bekering kenmerkte zijn houding zich door gematigdheid.

Met de volledige denkende elite van de late oudheid, christelijk zowel als heidens, deelde Augustinus de overtuiging dat seksualiteit een gevaarlijke passie was die de mens onvrij maakte. Hij keek ernaar zoals wij naar alcohol, drugs, of sigaretten. Voor hemzelf betekende dat ook dat hij na zijn bekering celibatair ging leven. Maar hij zag veel beter dan de meeste van zijn tijdgenoten dat je die keuze onmogelijk aan iedereen kon opleggen en dat regels voor een goed gebruik van seks beter werkten dan een totaal verbod. Ik denk dat een ieder die zich weleens in de psychologie van verslaving heeft verdiept, het realisme van dit inzicht zal delen. Als bisschop preekte Augustinus weinig over seksuele zonden, en waar het fout ging, zoals in het geval van twee priesters die iets moois met elkaar kregen, zei hij tegen de verontruste gelovigen die zich bij hem kwamen beklagen alleen maar dat het mensen niet gegeven is de geheimen van andermans ziel te doorgronden.

Datzelfde realisme kenmerkte zijn opvattingen over het functioneren van de staat. In tegenstelling tot de meeste van zijn tijdgenoten, die het Romeinse Rijk verheerlijkten als Gods koninkrijk op aarde, hield hij vol dat Rome met Gods bedoelingen niks te maken had, maar dat het een seculiere staat was als alle andere. Als Rome zou verdwijnen, zou dat voor het christelijke geloof geen enkele betekenis hebben. Augustinus had geen hoge dunk van de staat. Die was in zijn ogen niet meer dan een organisatie die er vooral toe diende om de ergste gevolgen van agressie onder mensen te bedwingen en daardoor een minimum aan orde en rust te garanderen. Wills merkt hierover op dit naar onze maatstaven een wel erg minimalistische opvatting van de staat is, maar wel een realistische, die van toepassing is op alle staten; niet alleen op liberale samenlevingen die gebaseerd zijn op het ideaal van de actief participerende burger, een ideaal dat maar zelden aan de werkelijkheid beantwoordt.

Zonder meer revolutionair was dat Augustinus uit die minimalistische taakopvatting van de staat de conclusie trok, dat godsdienst en staat wezenlijk niets met elkaar te maken hadden. Politiek kan de godsdienst helpen of hinderen, meestal het laatste, maar zij blijft een seculiere bezigheid die weinig bijdraagt tot het uiteindelijk heil van de mensheid. Nog nooit had iemand op die manier religie en staat uit elkaar gelegd, tot Augustinus waren ze als keerzijden van dezelfde medaille beschouwd.

De consequenties van die verbluffend nieuwe gedachte werden ook in West-Europa pas eeuwen later getrokken, voor het eerst in de elfde eeuw tijdens de Investituurstrijd, toen de paus de vorsten het recht om bisschoppen te benoemen probeerde te ontnemen, maar eigenlijk pas echt met het uitspreken van de scheiding van kerk en staat in de negentiende en twintigste eeuw. Dat dit meestal gebeurde onder groot protest van kerkelijke zijde, bevestigt Gibbons vermoeden dat de kerken eigenlijk nooit goed raad geweten hebben met het gedachtegoed van Augustinus.

Het fraaiste voorbeeld van dit onbegrip is de manier waarop in later eeuwen is omgegaan met Augustinus' leer over de predestinatie. Die hield kort gezegd in dat de mens zo diep is gevallen, dat hij zichzelf niet meer uit de modder kan trekken, maar alleen nog kan hopen op Gods reddende uitverkiezing. Die is aan sommigen gegeven en wordt aan anderen onthouden, zonder dat de mens iets kan doen om die uitverkiezing te verdienen.

Die onzekerheid over de mogelijkheid van een gelukkig leven heeft alle latere christenen nerveus gemaakt. In de Middeleeuwen is onophoudelijk gezocht naar manieren om God toch te slim af te zijn. Misschien dat Hij zich in zijn besluiten toch liet beïnvloeden door het verdienen van aflaten, het maken van bedevaarten en het doen van goede werken. Calvijn maakte van God een despoot die in een verschrikkelijk en onveranderlijk decreet had vastgelegd welke zielen gered waren en welke verloren gingen. Zo verschafte hij mensen wel een vorm van zekerheid, maar veroordeelde hij hen tegelijk tot sombere machteloosheid over hun eigen lot, precies het tegenovergestelde van wat Augustinus beoogde. Ook in onze eigen tijd kan Augustinus op dit punt rekenen op weinig begrip, omdat de boodschap dat het kwaad in de mens machtig is en dat daarom geluk niet maakbaar is, natuurlijk niet erg welkom is in een samenleving die met het kwaad geen raad weet en denkt dat inspanning altijd met resultaat beloond behoort te worden.

Om te achterhalen wat Augustinus precies bedoelde met de predestinatie, is een reconstructie van de historische context van cruciaal belang. Peter Brown heeft dat geprobeerd in zijn klassieke biografie Augustine of Hippo uit 1967 en Wills borduurt daarop voort. Het is vooral van belang te zien waartegen Augustinus zich verzette. In 415 kwam hij in contact met een zeer hooggestemde groep van aristocratische christenen in Rome, die zich liet inspireren door de Ierse goeroe Pelagius. Deze preekte een verlossingsleer die erop neerkwam dat als je maar zeer ascetisch leefde (celibatair natuurlijk), veel mediteerde en aan jezelf werkte, bevrijding je deel zou zijn. Natuurlijk was deze bevrijding maar voor zeer weinigen weggelegd, want om een dergelijk veeleisend leven te leiden, waren zeeën van vrije tijd nodig, en bovendien een goede bibliotheek en personeel om het zware werk te doen.

Om de volgelingen van Pelagius hangt de sfeer van de Morele Herbewapening: verheven gevoelens, ver verwijderd van de dagelijkse strijd om het bestaan. Tegen dergelijk esoterisch christendom keerde Augustinus zich met zijn formulering van de leer der uitverkiezing. Hij nam het op voor de gewone man, die hard moest werken, 's avonds rust hoopte te vinden bij vrouw en kinderen en die geen tijd en energie had om ascetische hoogstandjes te verrichten, omdat hij al moeite genoeg had met de dagelijkse christenplichten.

Om die mensen hoop te geven, hield Augustinus hun voor dat ascetische inspanning niet zo belangrijk was, omdat het kwaad de mens toch te zeer in zijn macht had. Het enige wat mensen konden doen, was hopen op Gods reddende liefde, die Hij gaf zonder onderscheid te maken of naar verdiensten te kijken, want zo werkt liefde nu eenmaal niet. In zijn Confessiones had Augustinus aan de hand van zijn eigen levensloop laten zien hoe zijn eigen leven niet door eigen inspanning maar door Gods liefde fundamenteel veranderd was, en hij was ervan overtuigd dat die ervaring van hemzelf door velen, ook als ze niet geleerd, welgesteld of anderszins bijzonder waren, gedeeld kon worden. Als bisschop van een onbetekenend havenstadje, ver weg van Rome en van de andere culturele centra van het Rijk, had hij geleerd dat je van gewone mensen niet kunt eisen dat ze dag en nacht met het geloof bezig zijn. Ze hebben hun energie veel te hard nodig om te overleven.

Augustinus kon beter dan wie ook grote idealen kon verbinden met het aanzienlijk minder verheven dagelijks leven. Hij had geen illusies over mensen of over de samenleving, omdat hij ook geen illusies meer over zichzelf had. Toen hij pas christen was, dacht hij voorgoed rust te hebben gevonden, maar een paar jaar later al constateert hij dat hij nog even begerig naar een vrouw kan kijken als vroeger en dat hij nog net zo hard de loftuitingen van anderen nodig heeft om overeind te blijven. Zijn leven blijft van losse flarden aan elkaar hangen, er zit geen groot verhaal achter. Dat is ook wat Augustinus zo fascinerend maakt voor een apostel van het postmodernisme als Lyotard. Van hem werd dit jaar Augustinus' belijdenis vertaald (Kok/Agora).

Augustinus wist dat naast nobele impulsen als naastenliefde en barmhartigheid, agressie, hebzucht, lust, leugens en geweld het leven altijd blijven beheersen, maar hij werd daar niet somber van, omdat hij er op grond van zijn eigen bekeringservaring vast van overtuigd was geraakt dat er een reddende God was wiens liefde alle menselijk tekort overwon. Augustinus was geen humanist, daarvoor was hij te sceptisch over de mogelijkheden van de mens, maar hij was wel een realist en dat maakt hem tot een van de meest humane denkers in de westerse traditie.

Martijn Schrama: Augustinus. De binnenkant van zijn denken. Meinema, 266 blz. ƒ37,50

Aurelius Augustinus: Wat betekent de bijbel? Christelijke scholing in tekstbegrip en presentatie: de doctrina christiana. Vertaald door Jan den Boeft en Ineke Sluiter, Ambo/Kritak, 248 blz. ƒ59,50

Garry Wills: Saint Augustine. Viking, XXII+152 blz. ƒ50,-