Weg was de zoete aardappel

Tijdens de Groene Revolutie ging onnodig veel fout. Landbouwkundig ingenieurs drukten de invoering van moderne rassen, kunstmest en irrigatie door. Het rommelige boerenbedrijf verloor kostbare tradities.

EEUWENLANG BEDREVEN de Yanqui Indianen in Noord-Mexico een productieve, bij hen passende vorm van landbouw. Ze verbouwden tientallen variëteiten maïs, bonen, cassave, rijst en zoete aardappelen. Sommige boerenrassen waren resistent tegen insecten of droogte, anderen waren snel rijp, weer anderen waren geschikt voor het maken van alcoholische drank, of juist voor tortilla. Bezoekers hadden er 31 fruitsoorten geteld en 19 soorten groenten. Het water kwam vanuit de rivieren via kleine kanalen, en de families werkten nauw samen bij het irrigeren, het oogsten en het bewerken van het voedsel.

Dit complexe, traditionele landbouwsysteem is nu helemaal weg, als gevolg van de Groene Revolutie. Begin jaren veertig startte de Mexicaanse overheid met het bouwen van enkele dammen voor de irrigatie van grote, commerciële boerenbedrijven. Al snel gaven de rivieren niet meer genoeg water aan de Yanqui. Om hen te helpen – en te controleren – werden de boeren onderverdeeld in veertig kredietgemeenschappen. De veldjes werden samengevoegd om er veredelde katoen en hoog-productieve tarwe op te verbouwen. Spoedig was 90 procent van het gebied bebouwd met katoen en tarwe en hadden de banken volledige controle over de boeren. Door gebrek aan betrokkenheid verwaarloosden de Yanqui hun land: ze onderhielden de irrigatie-kanalen niet, de kunstmest dienden ze slordig toe en ze plantten te laat. De opbrengsten daalden, veel boeren konden hun leningen niet meer terug betalen en vervielen in armoede. In 1975 was de situatie desastreus, zo constateerden VN-onderzoekers in die tijd. Een paar grote boeren gaven de landloos geworden Indianen alleen werk als ze hen nodig hadden, ceremonies en tradities waren goeddeels verdwenen en de jongeren lagen in de clinch met de ouderen.

Het lijkt zo logisch. Als je boeren veredelde, hoog-productieve tarwe of rijst geeft plus kredieten voor kunstmest, bestrijdingsmiddelen, machines en irrigatie, moeten ze er wel beter van worden. Maar helaas, wat werkt achter een bureau of in een gecontroleerd onderzoeksstation, werkt vaak niet, of net even anders op een rommelig, complex boerenbedrijf waar de boerin ook nog bij de buren op het land moet werken en waar onverhoopt het geld op kan zijn vanwege de plotseling gedaalde koffieprijzen. Sterker nog: de slim bedachte nieuwigheden die het in de proefopstellingen zo perfect deden, kunnen voor een boerenbedrijf, een dorp of zelfs een regio desastreus uitpakken.

Het pakte niet alleen rampzalig uit in Noord-Mexico. In de hele Derde Wereld heeft de modernisering van de landbouw kritiek uitgelokt. Over de Groene Revolutie zijn sinds 1970 tientallen boeken verschenen met veelzeggende titels als Boeren eerst, Wiens Waarden? en Laat boeren beslissen.

Toch hebben de veredelaars, de chemieconcerns en de machine-producenten ook goeds gebracht. De opbrengstverhoging, het doel van de Groene Revolutie, werd wel degelijk bereikt. Volgens de FAO verdubbelde tussen 1969 en 1990 de tarweproductie in Derde Wereldlanden, de rijstproductie steeg van 177 miljoen ton naar 303 miljoen ton en de maïsproductie verdriedubbelde bijna. Landen als Indonesië zijn dankzij de Groene Revolutie zelfvoorzienend in granen geworden. Een deel van de boeren is rijk geworden, de smaak en kwaliteit van veel voedselgewassen is verbeterd en het belangrijkste: er is veel land bespaard en de voedselprijzen in de steden zijn laag gebleven ondanks de bevolkingsgroei.

Onnodig veel ging fout, zo leren de stapels kritieken. In Mexico verdriedubbelden de opbrengsten van de tarwe tussen 1940 en 1960 weliswaar dankzij de introductie van kunstmest en tarwe met korte stro. Maar die productie-stijging was van korte duur, schrijft de Engelse milieukundige Jules Pretty in zijn boek `Regenerating Agriculture'. Vanaf 1965 moest het land weer steeds meer graan invoeren vanwege een crisis in de Mexicaanse landbouw.

Veel critici komen tot dezelfde conclusie: de landbouwkundig ingenieurs hebben te weinig oog (gehad) voor de waarde van de complexe, traditionele en gemengde bedrijfssystemen die ze wilden verbeteren. Ze zagen over het hoofd hoeveel kennis de boeren, en vooral boerinnen, zelf hebben van hun bedrijf. Het pakket moderne zaden plus kunstmest, irrigatie, tractoren en bestrijdingsmiddelen werd te rücksichtslos, en te snel op te grote schaal doorgedrukt, met weinig oog voor de sociale en ecologische gevolgen. Teelttechnieken die de dorpelingen afgelopen eeuwen zelf hadden ontwikkeld werden gewoon vergeten. De ingenieurs dachten er zelfs niet aan ze op te schrijven, waardoor veel kennis verloren is gegaan. Door boeren geselecteerde rassen werden wel bewaard in zogeheten genenbanken, maar die waren er vooral voor de veredelingsindustrie; ze mochten geen rassen aan boeren geven.

VOOROORDELEN

Socioloog Robert Chambers van de Universiteit van Sussex, beschreef in `Rural development' van 1984 de vooroordelen van waaruit de landbouwkundig ingenieurs volgens hem nieuwe technieken bedenken: ``Men laat zich meer leiden door wat van buiten komt, dan door wat van de boeren zelf komt, meer door wat mannen bezig houdt dan door wat voor vrouwen en kinderen belangrijk is, meer door de zorgen van de rijken, dan door die van de armen.'' Uiteindelijk komt Chambers tot een rij van 32 te starre voorkeuren van landbouwkundig onderzoekers en voorlichters die adequate verbetering van landbouwsystemen in de weg staan. Daaronder vallen de eenzijdige voorkeur voor voorspelbaarheid, voor het kwantitatieve, voor het zichtbare, voor het commerciële, voor het mechanische, het dure, het industrieel gemaakte en voor het laboratorium cq. kantoor (in plaats van voor het veld).

Hebben de ingenieurs die storm aan kritiek nu ter harte genomen? In ieder geval proberen anno 1999 meer onderzoekers samen te werken met boeren en boerinnen dan tien jaar geleden, niet in de laatste plaats omdat donoren dit sinds een jaar of vijf ook afdwingen. Maar gewoontes zijn hardnekkig. Verbetering van traditionele technieken, zoals hagen met natuurlijke vijanden of het planten van variëteiten door elkaar, levert nu eenmaal niet snel echt nieuwe, fundamenteel wetenschappelijke kennis op. Zeker niet omdat een groot deel van de techniekontwikkeling op de oncontroleerbare, rommelige bedrijven zelf moet gebeuren, willen de verbeteringen echt bij de situatie passen. Met het screenen van het rijstgenoom of het ophelderen van planteneiwitten in laboratoria ligt dat anders. Hier gaat het om goed controleerbare experimenten, waarmee je in de wetenschappelijke bladen terecht kunt. Maar daar hebben de boeren weer weinig aan. Volgens critici, met Chambers voorop, is het dan ook de positivistische instelling, waarin proeven in proefstations en laboratoria centraal staan, die radicale verandering van het landbouwkundig onderzoek en de voorlichting tegen houdt.