Vlees op negen uur

Gilbert Adair maakt in zijn nieuwste boek, A Closed Book, een mooie vergelijking tussen de positie van de lezer en die van een blinde. Beiden moeten vertrouwen op wat een ander kwijt wil. Als een schrijver `om wat voor reden dan ook' besluit weinig toelichting te geven op zijn karakters dan heeft de lezer geen middelen om daar toch in door te dringen: `He cannot peek over the tops of the words on the page'. Hetzelfde geldt voor de blinde die zich van andermans ogen afhankelijk heeft gemaakt. Meer dan hem wordt verteld kan hij niet weten.

In A Closed Book is de blinde geen lezer maar een schrijver. Hoofdpersoon John is een gelauwerd (Booker Prize-winnaar, tot ridder geslagen) auteur, wiens beroemdste boek At the Feet of Ghosts zelfs is verfilmd. Vier jaar geleden heeft hij bij een auto-ongeluk op Sri Lanka zijn ogen verloren. Na jaren revalidatie en nietsdoen wil hij nu zijn `literaire testament' schrijven en daarom heeft hij via een advertentie een assistent gezocht. Deze assistent, Paul, zal hij zijn laatste boek – A Closed Book geheten – dicteren.

Adair (bekend van de romans Love and Death on Long Island en The Holy Innocents) heeft zijn verhaal in de dialoogvorm geschreven. De lezer blijft daardoor goeddeels verstoken van beschrijvingen. Dat is geen gemis, en bovendien een logische consequentie van een blinde als hoofdpersoon. Het verhaal ontvouwt zich nu als een gehakketak tussen schrijver John en assistent Paul. In het begin is de stemming afstandelijk, maar later spreekt er uit de woorden van de twee mannen steeds grotere solidariteit. Paul ondersteunt John op zijn avondwandeling en vertelt hem wat er in de natuur te zien is. Hij schikt Johns eten op een bord volgens het `klokprincipe': met bijvoorbeeld het vlees op negen uur, wortels op zes en aardappels op twee.

Paul komt John in alles tegemoet. Hij zorgt ervoor dat er altijd een lichtje brandt in de badkamer, en dat de deur een kiertje openstaat. Bij iemand met een afgezet been moet je nooit op z'n bed gaan zitten op de plaats waar vroeger dat been was, vertelt John. Hij zelf kan niet tegen het idee dat hij in het volledig donker, al liedjes zingend in bad zou liggen.

Gilbert Adair laat zien hoe de blinde schrijver met het in dienst nemen van een `ziende' buitenstaander, ook de buitenwereld binnenhaalt. De tot dan toe in een tijdloze en informatieloze wereld levende kluizenaar wordt door Paul ineens geconfronteerd met verschijnselen als computers, Tony Blair en Irvine Welsh.

Met die kennis van de buitenwereld heeft Paul een machtig wapen, zo blijkt langzamerhand. Het begint met een hilarische passage (`Waar luisterde je naar op de radio?' `Welke muziek bedoel je?' `Ja John, de muziek' `The Who' `De wat?' `Niet de Wat, The Who. Dat is een rockgroep.'), maar de nieuwtjes worden allengs vreemder; Paul vertelt aan John dat Tony Blair is afgetreden omdat hij aids heeft, en dat Pete Townsend (van The Who) is doodgeschoten door een fan. John neemt deze eigentijdse ontwikkelingen nietsvermoedend op in het boek dat hij Paul ondertussen aan het dicteren is.

Naarmate de verhouding tussen assistent en schrijver meer lijkt te ontsporen krijgt de lezer steeds vaker de behoefte om `over de toppen van de woorden heen te gluren'. Hoe kijkt Paul als hij zijn onwaarheden verkondigt? Is John inderdaad zo gruwelijk misvormd als hij zelf zegt? Maar, geheel in overeenstemming met de handicap van de hoofdpersoon, tasten we wat dat betreft in het duister. De dialoogvorm is een magnifieke vondst van Adair: hij maakt de beperkingen van een blinde duidelijk, niet door ze te noemen maar door ze in de vorm te verwerken. Zo geeft hij een fantasierijke draai aan het realisme van bijvoorbeeld een Tom Wolfe, die zijn karakters tot leven brengt door hun taalgebruik zo nauwkeurig mogelijk weer te geven.

De dialogen worden onderbroken door gedicteerde passages van John aan Paul. Maar John is een beduidend mindere schrijver dan Adair: de overpeinzingen over blindheid zijn soms eye openers, maar doorgaans nogal hoogdravend. Ondanks deze intermezzo's stevent het verhaal in een dwingend ritme af op een confrontatie tussen de twee mannen. Hij mag in zijn homo-erotische grondtoon en situatieschets schatplichtig zijn aan The Servant (de roman van Robin Maugham, in 1963 verfilmd door Joseph Losey naar een script van Harold Pinter), Adairs confrontatie tussen dienaar en meester is vele malen gruwelijker, en door zijn thema van seksueel misbruik onmiskenbaar van deze tijd.

Gilbert Adair: A Closed Book. Faber and Faber, 258 blz. ƒ39,95