Vernieuwen

Wat heeft de afgelopen eeuw ons aan onderwijsvernieuwing gebracht? Voor ik daar antwoord op ga geven eerst iets over de term `vernieuwing'. In het onderwijs worden veranderingen steevast met die term aangeduid. Daarmee wordt de suggestie gewekt dat het oude versleten en daarom aan vernieuwing toe is. Dit tekent de zelfingenomenheid van de vernieuwers en verklaart tevens de weerstand die zij oproepen.

In de eerste helft van deze eeuw ontwikkelden zich allerlei vormen van onderwijs als antwoord op maatschappelijke behoeften. Zo ontstond er een lappendeken aan schooltypen. De scheepswerven hadden behoefte aan timmerlieden en de burgerij aan meisjes die strijken, goede manieren en koken hadden geleerd. Vandaar de ambachts- en de huishoudschool. De ulo werd in het leven geroepen ter aanvulling van het in omvang almaar uitdijende witte boordenproletariaat. Voor de algemene vorming van de toekomstige mevrouw zorgde de mms. Zo schiep iedere nieuwe maatschappelijke behoefte zijn eigen type onderwijs.

De mammoetwet was bedoeld om verband te brengen binnen dit allegaartje aan scholen en ze op elkaar af te stemmen, iets wat overigens informeel al een tijdje bezig was te gebeuren. De mammoetwet streek de plooien glad. Tevens werden de opleidingen minder gericht op concrete beroepen. Dit vanuit de gedachte dat het beroepenveld in de toekomst steeds meer aan verandering onderhevig zou zijn.

Dankzij de onuitputtelijke bron van welvaart die in Slochteren werd aangeboord, kon het onderwijs worden opgetuigd met toeters en bellen: schooladviesdiensten, pedagogische centra, instituten voor onderwijsresearch en voor toets- en leerplanontwikkeling, instellingen voor bijscholing, ze groeiden als kool. Evenals de opleidingen die het daartoe benodigde personeel moesten leveren. Er kwamen legers pedagogen, onderwijspsychologen, onderwijssociologen, onderwijseconomen en zelfs onderwijskundigen. Zo ontwikkelden zich binnen de wereld van het onderwijs twee circuits: de ene helft die zich bezighield met het geven van onderwijs en de andere helft, de zogenaamde `onderwijsverzorging', die vanaf de zijlijn wist te vertellen hoe het moest. Aan de ene kant de werkers, aan de andere kant de met aardgas gevulde verzorgingsballon. Twee werelden die een volstrekt gescheiden leven leidden en noch respect noch begrip voor elkaar toonden.

Als er vanaf eind jaren zeventig, aanvankelijk schoorvoetend (Van Agts `Bestek 81') en vervolgens steeds rigoureuzer, bezuinigd gaat worden, loopt de ballon van de onderwijsverzorging geleidelijk leeg.

Wat hebben al die onderzoekers, psychologen, pedagogen en sociologen nu aan blijvends opgeleverd? Ik zou werkelijk niets weten aan te wijzen. En vergelijken we dat nu eens met een andere periode, toen niemand de pretentie had te vernieuwen, toen de onderwijsontwikkeling werd gedreven door mensen uit de praktijk zoals Theo Thijssen, Jan Ligthart, Kees Boeke en, niet uit de praktijk maar er wel heel dicht bij, Maria Montessori. Ieder van hen heeft de afgelopen eeuw in zijn of haar eentje meer invloed gehad op de gang van zaken binnen het klaslokaal dan al die verzorgers bij elkaar.

De fout die we in de jaren zeventig hebben gemaakt is dat we al die Thijssens, Ligtharts, Boekes en Montessoris aan het onderwijs hebben onttrokken. Ontwikkelingen groeiden niet vanuit de praktijk en verloren daardoor al snel alle contact met de onderwijswerkelijkheid. En wat hebben we daaruit geleerd? Helemaal niets, dat bewijst de huidige gang van zaken rond het studiehuis.