TYPISCH NEDERLANDSE RIJTJESHUIS GAAT ZIJN ONDERGANG TEGEMOET

Het twintigste-eeuwse Nederlandse huis is het rijtjeshuis. Natuurlijk, de twintigste eeuw heeft ook galerijflats opgeleverd, en in buurten als Amsterdam-Zuid zijn veel oude, vertrouwde appartementenblokken met portieken gebouwd. Maar zeker na de Tweede Wereldoorlog, toen het overgrote deel van de Nederlandse woningen is gebouwd, werd het rijtjeshuis het meest voorkomende woningtype.

Rijtjeshuizen zijn geen typisch Nederlands verschijnsel. Ze komen ook veel in Engeland voor, en ook wel in Duitsland. Maar nergens zijn ze zo massaal gebouwd als in Nederland. Vermoedelijk had de gemiddelde Nederlander, net als nu, ook eerder in de twintigste eeuw een losstaand huis met een tuin eromheen als ideaal. Maar de soberheid van de wederopbouw en het bijbehorende karige loon deden hem inzien dat een villa niet was weggelegd voor hem. Het rijtjeshuis, met in ieder geval een tuintje achter en zo mogelijk ook voor, was het hoogst haalbare.

Het Nederlandse rijtjeshuis heeft een ijzersterke formule: halletje met wc, keuken en eetkamer/woonkamer op de begane grond, twee of drie slaapkamers en een badkamer op de eerste verdieping en helemaal boven nog een zolder. In de loop der jaren ontstonden talloze variaties hierop, maar het basisidee is altijd hetzelfde gebleven. Ook de VINEX-wijken die nu overal in Nederland bij de grote steden worden gebouwd, bestaan grotendeels uit woningen die zijn afgeleid van het archetypische Nederlandse rijtjeshuis.

Geënqueteerde VINEX-wijkbewoners zijn tevreden over hun woning en belonen deze met het cijfer 7,5. Maar onder architecten, bouwondernemers en politici neemt de onvrede over de VINEX-wijken grote vormen aan. Te duur en te krap, zo luidt samengevat hun oordeel over de VINEX-huizen. Bouwondernemers vrezen dat de VINEX-wijken hierdoor over niet al te lange tijd bij kopers uit de gratie raken, en sommige politici en architecten beweren zelfs dat deze wijken de getto's van morgen zijn.

De VINEX-wijken, en dus het Nederlandse rijtjeshuis, liggen zwaar onder vuur. Een paar jaar geleden opende de architect Carel Weeber met zijn pleidooi voor het Wilde Wonen een frontale aanval op het rijtjeshuis. Als de meeste Nederlanders in een vrijstaand huis willen wonen, waarom krijgen ze dat dan niet, vroeg hij zich af. De voortdurende economische bloei en toenemende welvaart maken het mogelijk dat ook de gemiddelde Nederland niet meer tevreden hoeft te zijn met een rijtjeshuis. Volgens Weeber is het ook in het volle Nederland heel goed mogelijk voornamelijk losstaande huizen te bouwen. Slechts tien procent van het Nederlandse grondoppervlak is bebouwd. Als voortaan alleen nog maar vrijstaande huizen worden gebouwd, loopt dit op tot 11 procent.

Het Wilde Wonen heeft gehoor gevonden onder politici, bouwondernemers en, in mindere mate, ook onder architecten. Zo kondigde staatssecretaris Remkes in het voorlaatste jaar van de 20ste eeuw aan dat van de nog te bebouwen VINEX-locaties veel meer grond moet worden uitgegeven in kavels voor zelf te bouwen vrijstaande huizen. Veel grote bouwondernemingen zijn nu druk bezig met de praktische invulling van het Wilde Wonen. Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat na 2010, als de VINEX-wijken zijn voltooid, veel minder rijtjeshuizen zullen worden gebouwd dan nu. Het Nederlandse huis van de twintigste eeuw gaat in de komende eeuw zijn einde tegemoet.

(Bernard Hulsman)