Troostender dan Prozac

Kinderen zijn dol op versjes en rijmpjes. En ze gebruiken ze bij allerlei spelletjes: denk maar aan aftelversjes en liedjes die bij het touwtjespringen worden gezongen. Ook de teksten van popsongs worden spontaan en met overgave meegezongen. Maar zodra het serieus wordt en gedichten op de middelbare school onderwerp worden van tekstanalyses, gaat de lol er voor de meesten gauw af. Dan blijkt poëzie opeens iets ingewikkelds en moeilijks – iets voor puzzelaars en bollebozen. Het onschuldige plezier aan klank en ritme verandert in een kwelling wanneer er allerlei lastige vragen beantwoord moeten worden over de betekenis van gedichten. Zo wordt poëzie een liefhebberij voor de happy few, iets voor intellectuelen die graag met woorden goochelen.

Is dat misschien het `schandaal van de poëzie' waarop J.H. de Roder doelt met de titel van zijn onlangs uitgekomen essay? Nee, niet precies. Maar het heeft er veel mee te maken. In opdracht van het literatuurfestival De Wintertuin schreef De Roder een essay over de poëtische ervaring dat hij de prikkelende titel Het schandaal van de poëzie meegaf. Het is een diepgravend en breed uitwaaierend betoog, waarin hij aannemelijk probeert te maken dat zowel de wortels van de taal als die van de poëzie liggen in het ritueel.

Als uitgangspunt neemt hij het gegeven dat poëzie voor veel kampgevangenen zo'n belangrijke rol heeft gespeeld. Uit herinneringen van overlevenden blijkt dat zij vaak kracht en troost putten uit het reciteren van stukken poëzie die ze uit hun hoofd kenden. Voor sommigen, zoals Bruno Bettelheim, was dat een bewijs van het belang van culturele vorming. Ook Offermans meende dat het effect van die poëzie iets met de inhoud ervan te maken had. Maar De Roder betwijfelt dat: hij wijst op andere voorbeelden uit diezelfde kampliteratuur, waarbij hetzelfde effect bereikt werd met populaire liedjes, slaapliedjes en aftelversjes. Volgens hem ging het niet om de inhoud van die teksten, maar om het ritueel van het reciteren ervan, dat mensen in een soort trance kon brengen, waardoor ze hun uitzichtloze situatie even konden vergeten.

Ritme en klank

Dat roept fundamentele vragen op over poëzie. De Roder stelt vast dat beroepslezers die zich met poëzie bezighouden doorgaans erg cognitief zijn ingesteld, en zich dus sterk richten op de interpretatie van de teksten, terwijl dichters in alle toonaarden het belang van ritme en klank bij het ontstaan van gedichten hebben benadrukt. Bij het lezen of ervaren van een gedicht zijn die factoren even belangrijk. Daarom is het geheim van een goed gedicht nooit te ontraadselen met interpretatie alleen. `Wat een gedicht tot gedicht maakt, is de ervaring van het gedicht', schrijft De Roder. En het merkwaardige van poëzie is dat ze uitnodigt tot herhaling, tot uit het hoofd leren, want het uitvoeren van de taalhandeling is de enige manier waarop de betekenis zich laat realiseren.

Dat is op zichzelf niets nieuws, maar voor De Roder is het aanleiding zich te verdiepen in het rituele karakter van de poëtische ervaring. Met behulp van de theorieën van Chomsky (over taal) en vooral Frits Staal (over Vedische rituelen) maakt hij aannemelijk dat de oorsprong van taal zowel als poëzie gezocht moet worden in het ritueel. En rituelen zijn volgens Staal niets anders dan reeksen handelingen die exact volgens voorschrift worden uitgevoerd.Ze betekenen niets. De Roder wijst op de mantra's die daarbij gereciteerd werden: reeksen betekenisloze klanken die de handelingen begeleiden. Is het mogelijk, dat daar de oorsprong van de poëzie, of zelfs van de taal kan liggen?

De Roder maakt niet alleen gebruik van de inzichten van dichters als Valéry, Paz, Kopland en Komrij, maar ook van de meest uiteenlopende studies op het gebied van taalkunde, filosofie, antropologie en biologie. In het werk van Robin Dunbar, die het ontstaan van taal bij primaten koppelt aan de verandering van groepsgrootte, vindt hij een andere mogelijkheid om de stap van ritueel naar taal te verklaren. Volgens Dubar zou de taal de functie van het bevorderen van sociale cohesie hebben overgenomen van het vlooien toen de groepen te groot werden. Ook Staal wees erop dat dieren geen taal, maar wel rituelen kennen, en hier zou dus de stap van ritueel naar taal gezet kunnen zijn.

Als voorbeeld van een bekende rituele handeling die gepaard gaat met een mantra-achtig taalgebruik noemt De Roder het bidden van een rozenkrans: de gebeden hebben wel een betekenisvolle inhoud, maar door de eindeloze herhaling van dezelfde woorden raakt de betekenis op de achtergrond en wordt het een zuiver rituele handeling, die rustgevend en troostend werkt. Dat hij van daar de sprong maakt naar een opmerking van Komrij (die bekende dat hij in sombere buien een gedicht van Cornelis Crul voor zich uit mompelt en dat dit `troostender werkt dan Prozac') is geestig en het illustreert de avontuurlijke geest van de essayist.

Betekenisloosheid

Zijn conclusie is dat poëzie, ingevolge haar oorspronkelijk rituele karakter, `neigt tot betekenisloosheid'. Dat is wat hij het `schandaal van de poëzie' noemt: dat zij haar kracht, haar effect, niet ontleent aan haar inhoud, haar betekenis, maar aan haar ritueel en ritmisch karakter. Dat gaat een stap verder dan wat Jonathan Culler `the scandal of poetry' noemde, namelijk het feit dat willekeurige eigenschappen van klank en ritme `systematically infect and affect thought'. Poëzie zou, door haar geboorte uit het ritueel, geworteld zijn in iets heel lichamelijks: het uitspreken van geritmiseerde klankreeksen zonder betekenis. Dat zou verklaren waarom ze zo'n sterke, bijna hypnotiserende werking kan hebben.

En als het geheim van de poëzie niet schuilt in de inhoud, maar in haar rituele, eerder muzikale karakter – hoe valt dan het onderscheid te rechtvaardigen dat nog steeds gemaakt wordt tussen `hogere' en `lagere' vormen van poëzie? Dat is de vraag waarmee De Roder zijn essay besluit. Het is een onderscheid dat volgens hem in elk geval niet op wetenschappelijke gronden te maken valt. En misschien stuiten we hier op het rituele aspect dat in alle `hogere cultuur' schuilt: bestaat de waarde die we hechten aan `betekenis' niet ook bij de gratie van de rituele herhaling?

Het verwijt van reductionisme dat hier voor de hand lijkt te liggen, gaat niet op, want De Roder is er zeker niet op uit poëzie alle betekenis te ontzeggen. Zijn stelling dat ze neigt tot betekenisloosheid vestigt de aandacht vooral op het onbewust betoverende effect van klank en ritme, dat bijna autonoom lijkt te functioneren. Dat magische aspect maakt interpretatie niet overbodig, maar verklaart wel waarom ze ontoereikend is. Deze avontuurlijke expeditie naar de wortels van de poëzie laat overtuigend zien waarom de ervaring van een gedicht zich altijd onttrekt aan een analyse van de inhoud.

Als we de spontane, kinderlijke interesse in poëzie niet in de kiem willen smoren, dan zou daar veel meer rekening mee moeten worden gehouden. Dat is één conclusie die je kunt trekken. Maar er is meer: in het licht van de rituele, of zelfs biologische oorsprong van poëzie lijken sommige preoccupaties van moderne dichters, zoals bijvoorbeeld het verlangen naar een `lichamelijke taal', opeens op hun plaats te vallen. En misschien moeten ook recente verschijnselen als de populariteit van poëziefestivals en de terugkeer naar een orale poëzie (`performing poets') tegen deze achtergrond worden begrepen.

Uit het colofon blijkt dat Het schandaal van de poëzie `een eerste verkenning' is in het kader van een groter opgezet onderzoek. Dit erudiete en uitdagende voorproefje geeft reden genoeg om daar nieuwsgierig naar uit te zien. Al was het alleen maar omdat beschouwingen als deze, waarin over poëzie wordt nagedacht in een breder verband dan dat van de esthetiek, zeldzaam zijn.

J.H. de Roder: Het schandaal van de poëzie. Vantilt, 31 blz. ƒ29,50