Tegen het gewauwel

De Wiener Kreis, die stelde dat betekenisrijke wetenschappelijke beweringen verifieerbaar moesten zijn, ging ten onder aan feiten-fetisjisme. Maar in een mildere gedaante leven haar ideeën voort.

NA DE EERSTE WERELDOORLOG keek de denker Rudolf Carnap in Wenen uit het raam en zag een geteisterde wereld. De mensen teisteren de wereld en teisteren elkaar omdat ze geteisterd worden door totalitaire waanzin ter linker en ter rechterzijde, door religieuze rimram en door wijsgerige wartaal. Pas wanneer dit allemaal is verdwenen, wanneer de mensen hun hoofden op orde hebben, kan het beter gaan. Alleen de wetenschap is in staat enig tegenwicht te bieden aan deze gigantische krachten: onbevangen onderzoek dat leidt tot theorieën die we aanvaarden of verwerpen op basis van wat we met onze eigen ogen zien.

Dit is het grondinzicht van het Logisch Positivisme, een radicale visie op mens en wereld die zich geheel baseert op de wetenschap en de logica. Carnap wilde de traditionele metafysica ontmaskeren en begraven. Met gelijkgezinde kornuiten, waaronder Moritz Schlick, Otto Neurath en Friedrich Waismann, richtte Carnap in de jaren '20 de Weense Kring op, met als doel de uitwerking en verkondiging van het Logisch Positivisme. Het zou een van de invloedrijkste bewegingen van de 20ste-eeuwse filosofie worden en leiden tot de vestiging van de wetenschapsfilosofie als nieuwe academische discipline.

In navolging van Wittgenstein, wiens Tractatus Logico-Philosophicus uit 1922 een belangrijke bron van inspiratie was voor de Weense Kring, stelde Carnap de vraag wat nou precies betekenisrijke volzinnen onderscheidt van betekenisloos gewauwel. De betekenisrijke zinnen verdeelde Carnap onder in zinnen met emotionele en met cognitieve betekenis. Zo hadden ethische en esthetische volzinnen emotionele betekenis, en wiskundige en wetenschappelijke beweringen cognitieve betekenis. Over de eerste soort hadden de Positivisten niet veel te zeggen, over de tweede des te meer.

Een tautologie, zoals `het sneeuwt of het sneeuwt niet', is waar, onafhankelijk van de weersgesteldheid. In het algemeen zijn tautologieën waar, onafhankelijk van wat het geval is in de wereld en hoe de wereld in elkaar zit; ze bevatten daardoor geen informatie over de wereld (een inzicht van Wittgenstein). De stellingen uit de logica zijn tautologisch, maar hebben cognitieve betekenis: zij vertegenwoordigen logische kennis. Wiskundige kennis is van hetzelfde tautologische laken een pak, vond Carnap. In navolging van de Logicisten (Gottlob Frege, Bertrand Russell) hing Carnap de these aan dat de gehele wiskunde te reduceren is tot de logica. Ook wiskunde is dus waar, onafhankelijk van hoe de wereld in elkaar steekt. Voor wetenschappelijke beweringen geldt dit niet, omdat zij ons juist moeten vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Maar hoe zijn de cognitief betekenisrijke beweringen van de wetenschap te onderscheiden van betekenisloos gewauwel? Carnap: ze zijn in beginsel verifieerbaar.

Als er geen mogelijkheid bestaat een bewering te verifiëren, dan is die bewering cognitief betekenisloos. Zinnen zoals `Het Niets nietst' (Heidegger), `De Staat is de afspiegeling op Aarde van het Goede' (Hegel), en `God bestaat' (Mozes) zijn betekenisloos gewauwel omdat er geen methode bestaat ze te verifiëren. Daarentegen is verificatie, in de vorm van actief waarnemen en experimenteren, de kern van de wetenschap. Wetenschappelijke kennis bestaat uit streng logisch georganiseerde stelsels van verifieerbare beweringen die waar zijn, omdat ze geverifieerd zijn.

Niet alleen filosofen met hun hart op de juiste plaats, maar vooral wetenschappers, wiskundigen en logici zouden de Wiener Kreis omhelzen. Tot in het begin van de jaren '60 was wetenschapsfilosofie vrijwel synoniem met Logisch Positivisme. Toen staken problemen de kop op. Eén van de problemen was dat het in de natuurkunde wemelt van de onwaarneembare zaken, zoals atomen, neutronen en elektromagnetische velden. Hun bestaan kan men niet verifiëren dus dergelijke existentie-claims dreigen onder betekenisloos gewauwel te vallen. Aanvankelijk wilde Carnap zulke beweringen reduceren tot waarnemingsuitspraken: beweringen die men wel kan verifiëren (`als de spanningsbron 3 volt aanwijst, dan wijst de stroommeter 500 milliampère aan'). Deze tocht leed schipbreuk op de rotsen van bestaande natuurkundige theorieën. Toen zei Carnap dat zulke claims weliswaar niet reduceerbaar zijn tot waarnemingsuitspraken, maar dat de theorie ze wel logisch met elkaar verbindt. Zo sijpelt de betekenis van de waarnemingsuitspraken via logische kanalen naar de theoretische beweringen, die zodoende hun status als betekenisloos gewauwel verliezen. Om dit precies te zeggen was het dus nodig een onderscheid tussen theoretische termen en waarnemingstermen te maken. De onderneming dit onderscheid hard te maken voor bestaande natuurkundige theorieën, leed eveneens schipbreuk.

Door een gestage aanwas van zulke interne problemen die rezen bij de logische reconstructie van wetenschappelijke kennis, en door aanvallen van externe critici op de wijsgerige fundering van de Weense Kring, begon het logisch-positivistische gebouw in zijn voegen te kraken. Nog geen tien jaar later stond het gebouw leeg en dreigde ineen te storten. Zelfs Carnap zong een lithanie. Stond het predicaat `positivist' ooit voor een afkeer van obscurantisme in al zijn vormen, voor het streven naar helderheid, en voor politiek progressief en optimistisch denken, nu leek het te staan voor naïef, beperkt en voor wetenschapsverafgoding en feiten-fetisjisme.

BADWATER

En toen verscheen eind jaren '70 Bas van Fraassen op het toneel (Nederlander van geboorte, daarna Canadees van nationaliteit en nu hoogleraar te Princeton). Zijn oordeel was dat het kind met het badwater was weggespoeld. Hij redde het kind, gaf het fonkelnieuwe kleertjes en trok de wijde wereld in. Ofschoon minder radicaal dan het Logisch Positivisme, lust het Positivisme van Van Fraassen, dat constructief empirisme heet, nog steeds geen pap van metafysica. Met de critici van Carnap c.s. verwerpt ook Van Fraassen het onderscheid tussen theoretische termen en waarnemingstermen, maar claimt dat het aanvaarden van een wetenschappelijke theorie gelijk staat aan geloven dat de theorie de waarneembare verschijnselen redt. Men hoeft in het bijzonder niet te geloven dat de wereld bestaat uit atomen, neutronen elektromagnetische golven, enz., zoals moderne natuurkundige theorieën zeggen. In het algemeen hoeft men van Van Fraassen niet te geloven dat de wereld in elkaar zit zoals de theorie zegt om de theorie te mogen aanvaarden. Door theorieën op te vatten als redders van de verschijnselen, is Van Fraassen terug bij de verificatie van Carnap. Alleen verwerpt Van Fraassen, met de bekende wetenschapsfilosoof Karl Popper, verifieerbaarheid als criterium om betekenis te scheiden van gewauwel.

Van Fraassen's visie lost een befaamd probleem op: waarom zouden wij moeten geloven dat de wereld in elkaar zit zoals de huidige theorieën zeggen wanneer de wetenschapsgeschiedenis ons leert dat de wereld volgens de volgende generatie theorieën weer totaal anders in elkaar zal zitten? Van Fraassen: het is een illusie te denken dat wij dat van de wetenschap moeten geloven. De accumulatie van wetenschappelijke kennis betreft uitsluitend en alleen de verschijnselen. Onverifieerbare beweringen zijn weliswaar geen betekenisloos gewauwel, alleen doen we er verstandig aan ze niet te geloven omdat dit geloof niet wetenschappelijk onderbouwd kan worden.

Naar mijn smaak is het constructief empirisme te sceptisch, maar anno 1999 is het wel de best beargumenteerde visie op de wetenschap. De anti-positivisten zijn verdeeld en versplinterd. Ondertussen groeit het gebouw van het constructief empirisme gestaag. Het gerucht gaat echter dat de eerste haarscheurtjes zijn gevonden. Eind november heeft uw reporter Van Fraassen in Utrecht gezien: een glimlach van oor tot oor op een springlevend gezicht.

En Carnap glimlacht in zijn graf: goed gedaan jochie.