Teddy Roosevelt

Teddy Roosevelt was geen teddybeer. Wel hield hij van een goed oorlogje zo nu en dan. Ze staalden, zo vond het belijdend lid van de Dutch Reformed Church, de Amerikaanse volksgeest. Die was aan het slot van de negentiende eeuw verweekt door gegroeide welvaart en psychotherapeuten die in naam van Freud het geloof in de autonomie van de menselijke wil ondermijnden. Enthousiast stortte Theodore Roosevelt – zijn officiële naam – zich in 1898 op de `decadente en luie' Spanjaarden in Cuba en verjoeg hen samen met zijn Rough Riders Regiment. Even enthousiast ageerde hij voor Amerika's kolonisatie van de Filippijnen. En als president van de Verenigde Staten (1901-1909) bedacht hij tal van smoezen – doctrines genaamd als ze van een hoogwaardigheidsbekleder afkomen – om interventies overal ter wereld te rechtvaardigen. Roosevelt wroette in Panama, intimideerde Colombia en werkte in Venezuela de Duitse keizer tegen.

,,Speak softly and carry a big stick'', was één van zijn gevleugelde uitspraken. Daarmee rechtvaardigde Roosevelt niet alleen de gestage uitbreiding van de Amerikaanse krijgsmacht, hij manifesteerde zich zo tevens als moderne afschrikkingsstrateeg. Als Roosevelt de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, had Edward Teller, maker van en denker over de atoombom, hem veertig jaar later eigenlijk ook moeten krijgen.

Teller liep de prijs mis; Roosevelt werd in Oslo wel degelijk gelauwerd, dit als dank voor zijn bemoeienis met de Russisch-Japanse oorlog. In 1904 had Japan een verrassingsaanval op de Russische vloot in het toenmalige Port Arthur gedaan na toenemende wrijvingen tussen de beide landen in Korea. Dat Rusland in de oorlog zware verliezen leed, bevestigde Roosevelts geloof in de inferioriteit van het Slavische volk - want een racist was hij ook een beetje. Anderzijds vreesde Roosevelt de Japanse expansie op het Aziatische vasteland.

Dus sprong hij tussenbeide om de partijen uit elkaar te trekken. Gemakkelijk gingen de onderhandelingen onder zijn leiding in Portsmouth (New Hampshire) hem echter niet af. Tegen een intimus mopperde hij: ,,Hoe meer ik de Tsaar samen zie met de Mikado van Japan, hoe meer ik van onze democratie en zelfs van onze kranten ga houden.''

Dat de vijandelijkheden in 1905 werden gestaakt, was dan ook niet zozeer te danken aan zijn subtiele diplomatie, als wel aan het feit dat Rusland uitgeteld in de hoek lag. Lang duurde de vrede van Portsmouth ook al niet. Toen twee maanden na ondertekening de tsaar de revolutie van 1905 aan zijn broek kreeg, zag Japan zijn kans schoon meer van de Russische presentie in Oost-Azië af te knabbelen.

Theoretisch zou het allemaal reden genoeg zijn om Roosevelt zijn Nobelprijs af te nemen. In de praktijk zou het een oorlogje of wat hebben gevergd.

Kees Versteegh