Srebrenica past geen relativering

Een klein land mag vele voordelen hebben, niet als het gaat om begrip voor grote zaken. Nederland is tenslotte een zwakstroom-democratie die de hoge voltage van grote beslissingen slecht verdraagt. Grote zaken - goed of slecht - kunnen slechts geabsorbeerd worden, indien teruggebracht tot kleinere proporties. Relativeren van groot naar klein is ons grootste talent. In Den Haag grijpt men graag naar het verkleinglas, zeker wanneer het gaat om een ondoordacht avontuur van goede bedoelingen en goed doen in de boze buitenwereld. Wie in Nederland kende trouwens in 1991 de naam van de hoofdstad van Bosnië of Kosovo?

Rampen in hun ware proporties tonen lukt ons dus zelden; dat moet meestal van `buitenaf' gebeuren. In het geval van Srebrenica is dat zeker het geval. De buitenlandse pers heeft daarin een grotere rol gespeeld dan onze kritische eigen bladen.

En warempel meer dan vier jaar na de ramp komt naar aanleiding van het Feitenrelaas een minister van Defensie aan het woord, die nog steeds niet de dingen bij de naam durft te noemen en het woord `schokkend' slechts met moeite uit de mond krijgt.

Een minister die kennelijk nog steeds in de tang wordt gehouden door de staf van de landmacht en door solidariteit met `onze jongens', die op het meest kritieke moment hun eigen hachje boven alles stelden, zelfs waar enige hulpverlening nog tot de mogelijkheden had behoord. Net zoals de toenmalige minister van Defensie met zoveel woorden de veiligheid van onze jongens tot hoogste prioriteit had verklaard.

De minister gaat zichtbaar gebukt onder de last van het ambt: een excuus dat voor de pers niet geldt. Hoe is het dan mogelijk dat een doorgewinterde redacteur in deze krant van 22 december niet alleen het Feitenrelaas, maar de hele Srebrenica-catastrofe begint te relativeren? Wat bezielt hem anders dan Haagse bijziendheid? Dat het hier om een van de grootste moordpartijen in het Europa van na 1945 ging, valt in zijn hele stuk niet te lezen.

Niemand beweert dat die moordpartij het gevolg is van het wangedrag van Dutchbat, maar wel bestaat de opvatting dat de Nederlanders daar weinig anders hebben gedaan dan het eigen hachje te redden. En dat de Nederlandse legerleiding – generaal Couzy voorop – vanaf het eerste moment ons voor de gek heeft gehouden door te beklemtonen dat het moorden `niet onder onze ogen is gebeurd'. Nee natuurlijk niet, zo subtiel waren de Servische moordenaars wel: het gebeurde om de hoek of op korte afstand. Hoe heeft de man ooit nog zijn mond durven open doen, nadat vooral uit de buitenlandse pers bekend werd welke slachting er in de omgeving van Srebrenica had plaatsgevonden?

Wat daarna volgde op het ministerie van Defensie was waarschijnlijk niet een georganiseerde operatie `doofpot' – de coördinatie daarvan zou voor Den Haag veel te moeilijk zijn geweest. Wel zagen we de operatie `schuld afschuiven' richting VN, de relativering van het eigen tekortschieten, veel gestuntel, niet alleen met filmpjes, en veel blunders, waaronder het publiek slechts mondjesmaat inlichtingen verschaffen over Nederlands ondermaats gedrag.

En wat meent een redacteur van deze krant vier jaar na deze tragedie te kunnen bijdragen aan deze in Nederland nog steeds beknelde discussie? Een zouteloze relativering van het Feitenrelaas in Haags perspectief. `Vergelijk het met wat gebeurt in voetbalstadions of wat je kunt horen in cafés'.

De tragedie Srebrenica blijkt hier nog steeds niet in ware proporties gezien te kunnen worden. Daar zijn kennelijk ook voor deze krant meer dan vier jaar afstand voor nodig.

Dr. M.C. Brands is wetenschappelijk directeur van het Duitsland Instituut van de Universiteit van Amsterdam.