Schuilen bij een vallende zuil

De Nederlandse bisschoppen zijn optimistisch gestemd over het volgende millennium, lieten ze het volk deze week weten in een gezamenlijke verklaring. Overal zien ze tekenen van nieuwe spiritualiteit. Maar hoe katholiek zijn de Nederlandse katholieken nog? Twee boeken over een instituut dat niet op een millenniumpje meer of minder kijkt.

Het kerstfeest is in Nederland een contrapunt, een tegenstem in een proces van onophoudelijke ontkerkelijking. Want het bestaat nog steeds als een publieke feestdag in een samenleving, waarin meer dan ooit de godsdienst een particuliere aangelegenheid is geworden. Voor de nachtmis of nachtdienst zwelt de kerk aan tot ongewone proporties; ongewoon omdat volgens recente gegevens bijvoorbeeld nog maar één op de tien katholieken zondags de eredienst regelmatig pleegt te bezoeken. De motieven kunnen verschillend zijn. De nachtmis is voor sommigen de herleving van een winterse jeugdherinnering, voor anderen de behoefte aan een specifieke belevenis van liturgie, kaarslicht en samenzang. Het is een reflex van een verleden in een cultuur waarvan de christelijke oorsprong met de dag meer vervaagt.

De secularisatie is in Nederland voortgeschreden tot ver over de helft van de bevolking. In sociologische publicaties als die van het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt het einde aangekondigd van de volkskerk; dat wil zeggen van de alomtegenwoordige godsdienstige instellingen, die een massa van gelovigen niet alleen voor religieuze maar ook voor maatschappelijke doelstellingen weten te mobiliseren. Het kerstfeest is in deze ontwikkeling eerder een herinnering aan oude tijden; een verschijnsel, waarvoor in het Duits het woord Kulturprotestantismus bestaat; het voortbestaan van een religieuze cultuur lang nadat de inhoud van het (protestantse) dogma en de ethiek zijn verlaten of verworpen.

In het lopende winterseizoen kan trouwens ook de zogeheten millenniumviering worden beschouwd als zo'n postchristelijk fenomeen. Het is de christelijke jaartelling die ons voorschrijft dat op 1 januari het jaar 2000 na Christus' geboorte begint. Daarom ook roept de paus in Rome volgens een aloude traditie het jubeljaar uit. Het is de expansie van het christelijke Europa geweest, die aan de wereld een christelijke jaartelling heeft opgelegd. En ondanks alle mooie woorden over een multiculturele samenleving of een `culturele diversiteit' in deze landstreken, wordt deze kalender met zijn numerieke hoogtepunt van 1 januari 2000 steeds als vanzelfsprekend aanvaard.

Er is dus genoeg aanleiding voor een reflectie op de teloorgang van de christelijke volkskerk en op verschuivende en soms verrassende scheidslijnen tussen godsdienst en secularisatie. Dat gebeurt in twee recente publicaties over het katholicisme in Nederland. Het ene is de boekuitgave van de televisieserie in zestien afleveringen Katholieken in de twintigste eeuw, die de KRO onlangs laat op de zondagavond heeft uitgezonden. De kerkhistoricus Ton van Schaik schreef de tekst. Het andere boek is een studie over katholieken in Nederland in de halve eeuw na de Tweede Wereldoorlog. Het is uitgegeven ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van het Katholiek Instituut voor de Massamedia en draagt de titel Tot vrijheid geroepen. Dit werk is van de hand van een schrijverscollectief, waarvan de sociologen Walter Goddijn en Gérard van Tillo en de kerkhistoricus Jan Jacobs de leiding hebben.

Petrus en Paulus

De eerste uitgave is eigenlijk een modern platenboek van het soort dat in de eerste helft van de twintigste eeuw wekelijks in de Katholieke Illustratie was te zien. Aan sprekende beelden is er geen gebrek. Want de katholieke godsdienst laat zich uitbeelden, de beeldenstorm was in Nederland tenslotte een protestantse aandrift. Er is bovendien breed gezocht en beschreven. Katholieken in de twintigste eeuw worden niet alleen beschreven in hun kerkelijke cultuur, maar ook in hun onderwijservaringen, in hun kunstzinnige uitingen, in hun maatschappelijke instellingen en in hun moraal.

Omdat de makers van de televisieserie zoveel mogelijk kijkers wilden informeren over een katholiek leven dat is verdwenen of dat steeds minder wordt gekend, is ook de inhoud van deze boekuitgave nogal encyclopedisch geworden. Bovendien heeft de auteur Van Schaik zich ingespannen om in zijn voorlichting nadrukkelijk een losse toon aan te slaan. En van de weeromstuit heeft de eindredacteur van de televisieserie, Leo Fijen, zijn `Woord Vooraf' gedateerd op het feest van Petrus en Paulus, Vaticaanse heiligen bij uitstek. Op de achterkant van het boek staat Maartje van Weegen afgebeeld in een decor en in een pose, waarvan het niet duidelijk is of zij de tekst van haar presentatie bestudeert of dat ze in gebed is verzonken.

De televisieserie en het bijbehorende boek zijn echter vooral bedoeld om onwetendheid over geschiedenis en inhoud van het katholicisme tegen te gaan en om de zendgemachtigde, de Katholieke Radio Omroep, een bevestiging te verschaffen van haar katholieke identiteit, wanneer ze in 2000 haar 75-jarig jubileum viert. Beide, onwetendheid en een bewijs van identiteit, zijn op een of andere manier ook een consequentie van de secularisatie. Aan het eind van zijn boek schrijft Van Schaik over de `verbluffende ontmanteling van het eens zo door-en-doorgeorganiseerde katholicisme' en over `de wijziging van het kerkbeeld op vrijwel alle onderdelen'. Deze ontwikkeling lijkt evenwel niet eenduidig te zijn, want de auteur haalt er ook de groei en bloei van `nieuwe religieuze bewegingen' bij en constateert dat de volksdevotie niet is `stuk te krijgen' en dat de programma's die de KRO uitzendt op titel van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap, goed worden beluisterd, bekeken en gewaardeerd. Kijken is dus blijkbaar geloven.

De geschiedenis, `die wijze meesteres', leert, aldus Van Schaik, dat de katholieke kerk meer ernstige crises te boven is gekomen en dat er steeds weer een nieuwe generatie was, die de fakkel overnam, zo lijkt de auteur zichzelf te troosten. De overzichtelijke situatie van 1950 bestaat niet meer, maar in 1900 bestond die evenmin. `Overzichtelijkheid is iets wat altijd achteraf gemaakt wordt.'

Deze redenering is intellectueel gesproken toch vooral vluchtgedrag. Aan het einde van de eeuw zijn secularisatie en indivdualisering sociale en culturele ontwikkelingen, die de basis van de volkskerk ondermijnen en die ook in deze historische publicatie over het twintigste-eeuwse katholicisme als probleem dienen te worden gesteld. Het citaat van de essayist Kees Fens, dat de katholieke kerk sinds de achttiende eeuw de aansluiting met de eigentijdse cultuur heeft verloren en enkel op een (groots) verleden kan teruggrijpen, blijft onbesproken en onweersproken. Daarom is deze publicatie toch ook weer ongewild een nostalgisch boek geworden; een studieuze preek voor eigen parochie.

Erfgoed

Goddijn, Jacobs en Van Tillo hebben een grotere ambitie. Hun boek moet een antwoord opleveren op de vraag: Heeft de secularisatie die zich na de Tweede Wereldoorlog in Nederland heeft voltrokken `de overlevingskansen van het rooms-katholicisme nu vergroot dan wel verkleind?' Daarom heet het boek een studie te zijn van `katholieken in Nederland' in de tweede helft van de twintigste eeuw en niet van het katholicisme; daarom zijn dezen ook `tot vrijheid geroepen'. De auteurs zijn uiteindelijk evenwel niet zeker van een positief antwoord, want ze laten al in de `Inleiding' de mogelijkheid open, dat het primaat van de individuele vrijheid een periode zal inluiden van neergang, stagnatie en zelfs ondergang van het katholicisme in Nederland. De volkskerk is na 1985 verdwenen, schrijven ze in een terugblik.

Het boek is stelselmatig opgezet. Er zijn vier perioden gekozen, waarbinnen thematisch een aantal historische ontwikkelingen aan de orde wordt gesteld zoals verzuiling en ontzuiling, missie en de Derde Wereld en de professionalisering van het priesterambt en de kerkelijke organisatie. Het eerste tijdvak in dit boek zijn `de jaren van broei en bewustwording' in de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Het wordt gevolgd door een deel over de vernieuwingsbeweging in de jaren zestig, tijdens welke de restauratie is `overwonnen' en de `vernieuwingsdrang en experimenteerdrift volop kans' krijgen. In de volgende episode (1970-1985) is er door een toenemende polarisatie onder katholieken en door ingrijpen van het Vaticaan sprake van `verscheidenheid en verbrokkeling'. In het laatste, het meest recente tijdvak (1985-1999) gaan de auteurs op zoek `naar de waarde van het christelijk erfgoed aan het einde van de twintigste eeuw' in een geseculariseerde samenleving onder de titel `tussen onverschilligheid en engagement'.

De opbrengst van deze studie is allereerst een kroniek van feiten en gebeurtenissen, die tezamen de naoorlogse ontwikkeling van het katholicisme in Nederland representeren. Die was in deze reikwijdte nog niet voorhanden. Zij bestaat voorts uit een doorlopende geschiedenis van de invloed van sociologische concepten en van sociologen in de kerkelijke vernieuwing, vooral in de jaren zestig en zeventig. Empirische gegevens van kerkelijke instituten als het KASKI of het PINK, het Pastoraal Instituut voor de Nederlandse Kerkprovincie onder directie van Walter Goddijn, zijn steeds bij de hand. Het probleem daarbij is echter, dat de discussie over de kerkelijke organisatie en over de ontwikkeling van het priesterambt is los gezongen van ieder maatschappelijk decor en daardoor een geschiedenis blijft van cijfers en feiten.

De secularisatie in de jaren tachtig wordt onbewimpeld tegemoet gezien en in deze sociologische context als een brede en niet steeds negatieve ontwikkeling beschreven. Tussen 1983 en 1985, wanneer men volgens de auteurs in de katholieke kerk in Nederland niet meer omziet in weemoed en er sprake is van een `revitaliseringsproces', gaat voor het eerst in de twintigste eeuw het aantal katholieken ook in absolute zin achteruit. Zij constateren voorts, dat in het bestand van gelovigen voor velen het sociale katholicisme is overgegaan in een cultureel katholicisme (een variant op het Kulturprotestantismus?) en dat anderen zich hebben ontwikkeld tot een persoonlijk ingevulde `geloofsverbondenheid en spiritualiteit waarin de katholieke Traditie nauwelijks meer een rol speelde.' Vanwege deze verscheidenheid, die zich ook in bestaande parochies voordoet, lijkt zich een geloofsleven op lokaal niveau af te spelen buiten de publieke kerk en de officiële kerkelijke leiding. Ook in dat opzicht is het katholicisme bezig te `protestantiseren'.

Het boek is niet enkel een verhandeling uit sociologisch of historisch oogpunt. De katholieke massamedia krijgen er vooral in hun institutionele ontwikkeling de aandacht van pershistoricus Joan Hemels, want het is tenslotte een jubileumboek van het Katholiek Instituut voor de Massamedia. Een bijzonderheid is het opstel van de kunsthistoricus Hein van Haaren, die de katholieke kerkenbouw en liturgie na de Tweede Wereldoorlog behandelt. Hij heeft niet genoeg adem voor de allermodernste tijd, maar zijn bijdrage is van een cultureel gehalte dat elders wordt gemist en dat eigenlijk alleen nog maar wordt overtroffen door een viertal literair-historische opstellen van Wam de Moor. Deze heeft zich de opgave gesteld om te toetsen of er in de Nederlandse letterkunde sinds 1945 sprake is van een `katholieke literatuur'. Het eerste antwoord is ontkennend want met de Tweede Wereldoorlog kwam er een einde aan een verzuilde groepsvorming.

De Moor heeft voor de naoorlogse periode vooral `cultuurdragers' op het oog zoals de kunsthistoricus en priester Frits van der Meer (P.C. Hooftprijs 1963) of Anton van Duinkerken (P.C. Hooftprijs 1966). In latere tijden fungeren als zodanig Kees Fens (P.C. Hooftprijs 1990) en Cornelis Verhoeven (P.C. Hooftprijs 1979). Maar hij blijft ook katholieke of katholiserende dichters vinden zoals Michel van der Plas of Huub Oosterhuis maar ook literaire voorbeelden van poëtisch verwoord geloofsverlies of afkeer zoals bij Martin Veltman of Alain Teister. Het interessante is dat De Moor dat tot in een beschrijving van literaire publicaties in de jaren negentig (Kellendonk of Palmen en Van Brederode) kan volhouden. Het is van een ouderwetse volledigheid, die niet meer in de huidige literatuurgeschiedenis wordt aangetroffen, maar in die doorlopende geschiedschrijving is het ook leerzaam.

Emancipatie

Tot vrijheid geroepen is nadrukkelijk een verwijzing naar het in 1953 verschenen gedenkboek In vrijheid geboren van twee auteurs, rector N. de Rooy en de Nijmeegse hoogleraar L.J.Rogier. Deze omvangrijke publicatie werd uitgebracht ter gelegenheid van de viering van het eeuwfeest van het herstel van de bisdommen in Nederland (1853). De titel zegt het al: het gedenkboek was geschreven in het perspectief van een succesvolle katholieke emancipatie, al was Rogier ook kritisch ten aanzien van het resultaat van de eigen subcultuur en gebruikte hij liever het woord `herleving' met een impliciete verwijzing naar een katholiek verleden in de Nederlandse Middeleeuwen en Renaissance. De moderne auteurs hebben met hun keuze Tot vrijheid geroepen zich van de negentiende- en twintigste-eeuwse verzuiling willen losmaken en de zogeheten ontzuiling alsmede de hedendaagse secularisatie en individualisering ook in een positieve zin willen interpreteren.

Maar het drietal heeft zich met zijn titelvariant ook een maatstaf gesteld, die in hun nadeel kon uitvallen. Rogier kreeg voor de literaire kwaliteit van zijn aandeel in het gedenkboek in 1954 de P.C. Hooftprijs. Om één voorbeeld van deze kunst te noemen: zijn portrettering van historische figuren uit het katholicisme zijn juwelen van retoriek. Ze zijn soms befaamd geworden om de lof, het meeleven, de ironie of het vileine die erin zijn verwoord. In het hedendaagse boek zijn zulke portretten ook opgenomen, maar in het algemeen zijn het brave curricula vitae geworden zonder enige schilderachtige toevoeging. Rogier had er niet meer woorden voor nodig, maar het verschil in zeggingskracht is groot. De Nijmeegse historicus had nog in een ander opzicht tot voorbeeld kunnen strekken: in de ruime mate waarin hij zijn kerkgeschiedenis kon relateren aan een algemenere historische ontwikkeling. Dat is in dit nieuwe boek al evenmin op een overtuigende wijze gedaan. Aan de binnenwaartse blik zijn de beide godsdienstsociologen en de kerkhistoricus niet ontkomen.

Zo begint het historisch gedeelte van dit boek eigenlijk met de verkiezingsoverwinning van de Katholieke Volkspartij in mei 1946. Dat werd als het bewijs gezien van het mislukken van een doorbraak door oude politieke verhoudingen; een bewijs ook van de kracht van de verzuiling. De Tweede Wereldoorlog zelf valt derhalve buiten het zicht. Dat betekent dus, dat de auteurs zich een studie over de katholieken in de tweede helft van de twintigste eeuw veroorloven zonder een behoorlijke analyse van de gevolgen van de Duitse bezetting. Toch is die als een schaduw over de gehele periode blijven hangen en werkt de morele problematiek, met name die van de jodenvervolging, tot in onze dagen door. Daar kan eigenlijk geen historicus van de moderne tijd omheen; ook niet of zelfs juist niet een kerkhistoricus. Het ene voorbeeld staat voor de opzet van het gehele boek. Deze geschiedschrijving is vooral binnenwaarts gericht en eigenlijk opnieuw een interessante sociologische preek voor eigen parochie.

Opmerkelijk is tenslotte, dat het aantal verwijzingen naar Walter Goddijn zelve in de tekst van het boek tamelijk groot is. Hij was als secretaris van het Pastoraal Concilie rondom 1970 een centrale figuur in de vernieuwingsbeweging. Bovendien was hij de éminence grise van de rode eminentie, kardinaal Alfrink; of eigenlijk de éminence brune want hij was geen capucijner maar een franciscaner monnik. Walter Goddijn is van een aantal hoofdstukken de auteur. In deze en andere wordt over hem tenminste 26 keer geschreven. In dat aantal wordt hij in het boek slechts overtroffen door de kardinalen Alfrink, Simonis en Willebrands en door bisschop Gijsen. In het van hem opgenomen portret wordt gemeld, dat hij de bijnaam `paus van Nederland' had verworven in de jaren tussen 1966 en 1972, toen alle wegen in de Nederlandse kerk via hem liepen. Men kan en wil niet om hem heen. Toch zou het de overtuigingskracht van een studie van het moderne Nederlandse katholicisme ten goede komen, indien men dan toch maar in een wat grotere boog om hem heen zou lopen.

Walter Goddijn, Jan Jacobs en Gérard van Tillo: Tot vrijheid geroepen. Katholieken in Nederland 1945-2000.

Ten Have, 560 blz. ƒ69,90

Ton H.M. van Schaik: Katholieken in de twintigste eeuw. Anthos, 167 blz. ƒ49,90