Rigoberta Menchú

Dat Rigoberta Menchú veel heeft doorstaan tijdens de burgeroorlog in Guatemala wordt door niemand betwist. In 1992 kreeg ze er de Nobelprijs voor de Vrede voor. Maar vorig jaar bleek dat Menchú over een rijke fantasie beschikt. In haar autobiografie Ik, Rigoberta Menchú, die het Nobelcomité zeer had bekoord, bleek ze gebeurtenissen uit haar leven te hebben verfraaid of zelfs verzonnen. Menchú ontkende en verklaarde haar boek te zullen verdedigen `tot de dood'.

Het omstreden boek verscheen in 1983 en vestigde in één keer de aandacht van de wereld op de problemen van de Maya-indianen in Guatemala. In die periode werden door `veiligheidstroepen' hele dorpen weggevaagd, omdat de inwoners zouden sympathiseren met de linkse guerrillastrijders.

Het Nobelcomité betoonde eer aan Menchú omdat zij haar menselijke waardigheid had behouden temidden van al het geweld. Ze had niet naar de wapens gegrepen, hoewel haar autobiografie, volgens het comité, genoeg gruweldaden bevatte die een ander besluit begrijpelijk zouden hebben gemaakt. Ook was er bewondering voor het doorzettingsvermogen van Menchú die zich zonder enige opleiding had opgewerkt tot spreekbuis van de indianen.

De Amerikaanse antropoloog David Stoll onthulde vorig jaar dat Menchús autobiografie deels op verzinsels was gebaseerd. Hij schreef hierover het boek Rigoberta Menchú and the Story of All Poor Guatemalans. Stoll baseerde zich op tien jaar archiefonderzoek en 120 interviews. The New York Times bevestigde zijn bevindingen, na gesprekken met familieleden en bekenden van Menchú, en met vier nonnen die haar onderdak hadden verleend. Menchú bleek het equivalent van een middelbareschoolopleiding te hebben doorlopen op een privé-school (`Ik ben nooit naar school geweest', schrijft ze in haar autobiografie). Het geschil over landrechten dat centraal staat in haar boek was geen gevecht tegen rijke landeigenaren van Europese komaf, maar had plaatsgehad binnen haar eigen familie. De meeste ophef veroorzaakte de ontdekking dat de jonge broer die Menchú naar eigen zeggen had zien verhongeren, nooit had bestaan. Een andere, wel bestaande broer was volgens Menchú voor haar ogen en die van haar familieleden levend verbrand door het leger. Maar Stoll ontdekte dat de familie Menchú helemaal niet aanwezig was toen de jongen, onder geheel andere omstandigheden, werd gedood.

Waarom die verzinsels? Volgens Stoll leefde Menchú in `een crisissituatie' en had ze nooit al die aandacht gekregen als ze had gezegd: ,,Dit zijn zaken waarvan ik heb gehoord dat ze anderen zijn overkomen''. Het blijft vreemd dat Menchú, wier ouders en twee broers daadwerkelijk door de militairen zijn vermoord, het blijkbaar nodig achtte daar een schepje bovenop te doen. Teruggeven die prijs.

Stéphane Alonso