Paperbacks

Ierse schuldgevoelens bij Dermot Healy

Ollie Ewing vult schappen in Doyles Supermarkt in zijn woonplaats Sligo. Ook haalt hij er de winkelwagentjes op van het parkeerterrein. Daarnaast staat hij een paar avonden per week achter de bar van een pub. Hij woont op de piepkleine zolderkamer van een groezelige studentenflat, waarin hij niet eens rechtop kan staan. Eigenlijk is Ollie een gekwalificeerde timmerman, maar hij is dik tevreden met zijn geestdodende baantjes: `I get great satisfaction from placing the last can of sardines into place. Stand back. A job well done. Im off to the jellies. Im among the curry jars. The trick is to be eternally on the go.' Er is iets grondig mis met Ollie, en iedereen in Sligo weet het.

Ollie, de verteller van Dermot Healy's nieuwe roman Sudden Times, heeft zijn routines nodig om de stemmen in zijn hoofd en zijn nachtmerries op een afstand te houden. Soms hoort hij de stem van zijn vader of een oude vriend, soms stemmen uit een rechtszaal. Ook is hij voortdurend verdacht op een meute die achter hem aan zou zitten. Ollies paranoia, schuldgevoelens en `mentaal gestotter' blijken iets te maken te hebben met de tijd die hij in Londen doorbracht. Daar deed hij, samen met zijn broer en beste vriend, zwart werk in de bouw, vanouds een door gangsters beheerste branche. Langzaam, in hoofdstukken die onderverdeeld zijn in korte getitelde passages, ontvouwt Healy wat zich daar heeft afgespeeld. Daarbij voert de knappe structuur van de roman de spanning aardig op. De eerste helft van het boek speelt in het heden, de tweede helft onthult de tragische aanloop daartoe. Tegenover de absurde humor van het ene deel staat een Kafkaeske rechtszaak in het andere. Op de laatste bladzijde komt dan de eerste helft van het boek in een heel nieuw licht te staan, waardoor je je opeens realiseert dat de werkelijke climax van de roman haast onopvallend al halverwege heeft plaatsgevonden.

Dermot Healy: Sudden Times.

Harvill, 341 blz. ƒ46,70

Claire Keegans

beelden van de hel

De hel, dat is je eigen worst possible scenario, zo leerde de hoofdpersoon van `Antarctica' vroeger op de nonnenschool. Deze naamloze, gelukkig getrouwde vrouw van middelbare leeftijd heeft zich altijd al afgevraagd hoe het zou zijn om vreemd te gaan, en specifiek met dat doel voor ogen boekt ze een hotel in de stad voor een weekend. Ze is er eigenlijk zeker van dat ze teleurgesteld zal zijn. Dan ontmoet ze een onaantrekkelijke, wat eenzame man die niet alleen goed kan koken en fantastisch blijkt in bed, maar waarmee ze ook nog kan praten. Ze vertelt hem over haar visie van de hel: `unbearably cold, a place where you stayed half-frozen but you never quite lost consciousness and you never really felt anything'. Zijn hel, zegt hij, is een plaats zonder andere mensen. De vrouw ziet echter niet dat dat niet zoveel verschilt van zijn feitelijke leven, dat zij een uitkomst is, en wordt binnen de kortste keren door hem haar eigen hel binnengesleurd.

`Antarctica' is het eerste verhaal in de gelijknamige bundel van de Ierse schrijfster Claire Keegan. Ook in de daarop volgende veertien verhalen is er vaak sprake van een dramatische ontwikkeling, maar Keegan hoeft het niet te hebben van spectaculaire ontknopingen. Haar verhalen, die grotendeels spelen op het Ierse platteland, zijn vaak geschreven vanuit het perspectief van intelligente, sterke, soms ook lijdzame vrouwen of meisjes die het leven om hen heen intensief observeren. Een vroegrijp dertienjarig schoolkind verleidt bijvoorbeeld een boom van een vent die op de boerderij werkt, met vervelende consequenties. Keegans schetsen van al dan niet traditionele levens op het platteland zijn gedetailleerd en haarscherp. Maar nog afgezien van de sprekende couleur locale (een paar, eveneens overtuigende verhalen spelen in de Mississippi-delta) biedt dit sterke debuut vooral opmerkelijke verslagen van hoe mensen reageren wanneer ze geconfronteerd worden met hun eigen worst possible scenario.

Claire Keegan: Antarctica. Faber, 209 blz. ƒ32,95

Naar de onderwereld

met James Purdy

In 1960 publiceerde James Purdy The Nephew, een roman over een bejaard echtpaar dat besluit om herinneringen op te schrijven aan hun doodgewaande, in Korea verdwenen neefje. Tijdens dit project stuiten ze op allerlei onvermoede zaken over de jongeman die ze liever niet hadden geweten. Purdys meest recente roman, Gertrude of Stony Island Avenue, draait om hetzelfde idee. Hier is het de wereldvreemde, wat kinderlijke en timide Carrie Kinsella die, zeer tegen de zin van Daddy, haar overheersende echtgenoot, informatie gaat zoeken over haar dochter Gertrude. De twee jaar eerder overleden Gertrude was een excentrieke schilderes, en Daddy vond het beter om Carrie af te schermen van de schokkende details van haar leven. Maar Daddy is ziek geworden, en Carrie (zelf ook hoogbejaard) maakt daarvan gebruik om zijn spullen te doorzoeken en erop uit te trekken.

Het leidt tot een bizarre, surrealistische queeste langs een reeks merkwaardige figuren, waarbij Carrie inderdaad steeds meer te weten komt. Tegelijkertijd zijn er hints dat Carrie waarschijnlijk zelf ziek is, een zenuwinzinking heeft, of misschien zelfs aan het dementeren is. Aangezien zij het verhaal vertelt, leidt dit tot interessante effecten. Carrie raakt haar besef van tijd volledig kwijt, maar hervindt dan haar zelfvertrouwen. De hele roman doet tijdloos aan, niet in de laatste plaats door Purdys unieke, opzettelijk archaïsche taalgebruik. Hoewel de vergelijking met Demeter en Persephone er wat dik bovenop ligt, dwingt die vreemde, ouderwetse stem tot doorlezen.

James Purdy: Gertrude of Stony Island Avenue. Quill, 182 blz. ƒ34,95

Whitbread-genomineerde

vertaalt Machado

Gedichten zijn op maat gebouwde kerkjes, zegt de Schotse dichter Don Paterson, waarvan de akoestiek maar één stem tot zijn recht laat komen. Vertalingen zijn daarom bij voorbaat een hopeloze zaak, want een andere stem die in hetzelfde gebouw probeert te zingen zal nooit echt goed klinken. Dit schrijft hij in zijn nawoord bij The Eyes, een bundel met zijn eigen vertalingen van gedichten van Antonio Machado (1875-1939), een van de grootste Spaanse dichters van deze eeuw. Paterson (1963) noemt zijn gedichten dan ook geen vertalingen maar `versies', eerder trouw aan de geest dan aan de letterlijke betekenis van het origineel. Daartoe nam hij naar eigen zeggen zijn toevlucht tot verminkingen, omissies, opzettelijk foute vertalingen, het toevoegen van regels en het schrijven van compleet andere gedichten. Dit hameren op de onmogelijkheid van poëzievertalingen klinkt echter nogal obligaat en overdreven. Patersons `versies' zijn namelijk meer dan geslaagd, en terecht genomineerd voor de Whitbread Prize, naast het werk van grootheden als Seamus Heaney en Ted Hughes.

Paterson koos uit de poëzie van Machado alleen `the poem Machado is for me', over God en liefde en herinnering. Machado's God is er één die permanent siësta houdt, `whose truant omnipresence sets us free'. Deze visie sluit aan bij Patersons eigen nihilistische tendensen, en spreekt uit de hele alfabetisch geordende bundel, van `Advice' tot `To the Great Zero' (`When the I Am That I Am made nothingness/ and, as He deserved, went back to sleep ...'). Tegelijkertijd zijn Machado's beelden van dromen, reizigers, tijd en het niets intens spiritueel. Paterson maakte er zijn eigen gebouw van, waarin niettemin nog steeds een echo te ontwaren is van die andere stem, plaats en tijd, waar `halfway home, the fire-fish swims/ between the cypress and that highest blue'.

Don Paterson: The Eyes. Faber, 60 blz. ƒ32,95

Eerder als hardback besproken:

Harold Bloom: Shakespeare. The Invention of the Human. Fourth Estate, 745 blz. ƒ49,95

Groots opgezette studie van eminente criticus over Shakespeare's personages dicht de Bard haast messiaanse kwaliteiten toe. `Lezen en verklaren doet Bloom als een ouderwetse professor. Hij dompelt zichzelf en de lezer onder in talloze passages en geeft verfijnde of briljante, soms eenzijdige en regelmatig monomane uitleg bij zijn hoofdstelling.' (David Rijser, 26.02.99)

Alice Munro: The Love of a Good Woman. Vintage, 340 blz. ƒ28,95

In deze verrassende en complexe verhalen belicht Munro telkens een heel leven aan de hand van één cruciale gebeurtenis. `Zo'n momentopname is bij Munro een omvattend beeld, van een persoonlijkheid, een relatie, een plek, een milieu, een leven.'

(Sietse Meijer, 12.03.99)