Op de valreep

HOOG BOVEN het smerig-groene havenwater kijk je nog één keer om voordat je definitief aan boord stapt van de Millennium III, op zoek naar nieuwe verten. Het silhouet van de eeuw die je zo lang bewoonde steekt zwart af tegen de rosse gloed van de alweer laaghangende zon. Je hele leven speelde er zich af, en toch is er nu al afstand, nog voor je weg bent. Gek, hoe snel die dingen veranderen.

Er zijn in deze donkere dagen al overal lichtjes. Bij elk van die lichtjes, elk van de ramen waardoor ze schijnen, weet je dat een computer zoemt. Warm in de huiskamer, of naast het kaaps viooltje op het bureau van een doorsnee kantoorbediende. Wie had dat nog maar kort geleden werkelijk durven voorspellen? Hoe lang is het helemaal geleden dat zij-die-het-weten-konden vaststelden dat de wereld aan een stuk of honderd grote computers genoeg zou hebben? Vijfentwintig jaar? Dertig misschien? Een oogwenk en een eeuwigheid.

En overal staan buiten papierbakken, en binnen volle prullenmanden, shredders, stapels reclamedrukwerk op elke deurmat. Het papierloze tijdperk dat door de computer zou inluiden, is verder weg dan ooit. De computer leverde vooral adreslijsten op waarmee nieuw papier gepersonaliseerd kon worden. Automatisering van de postbezorging zorgde dat díe gigantische stapels ook tijdig verwerkt werden.

Boze gezichten zie je her en der achter ramen. Boze, ongeduldige gezichten met een telefoon aan het oor. Per computer in de wacht gezet. Vijf, tien, twintig minuten, soms een uur. Tegen betaling. Boos doordat het `druk een één'-systeem voor hun probleem geen cijfer heeft. Ook dat hebben de voorspellers niet voorzien. Die dachten dat de computer mensen dichter bij elkaar zou brengen. In werkelijkheid is direct contact moeilijker dan ooit, vaak zelfs onmogelijk doordat de mens door een kille automaat vervangen is. Eenzaamheid en isolement zijn de vrucht van automatisering. Met het mobieltje als goedmakertje. Bereikbaarheid als surrogaat voor contact, vluchtig geouwehoer als `ersatz' voor een begripvol gesprek.

`De global village', mompel je over je schouder, maar het is wel een autistische versie van McLuhans Utopia. Alles en iedereen is bereikbaar, maar niets is aanraakbaar. Zelfs niet als je alleen maar doet alsof. Je denkt aan die elektronicamiljonair die nu in Californië op zijn proces wacht, er ingeluisd door een geperverteerde politie. Maandenlang had een besnorde dienaar van Hermandad in allerlei babbelboxen een meisje van dertien gespeeld, in de hoop dat iemand het spel mee ging spelen. En dat gebeurde uiteindelijk. Ze spraken over ditjes en datjes, en natuurlijk ook over seks, want zo gaan die dingen. En de agent, die het daarom te doen was, zal het niet hebben afgeremd. Uiteindelijk besloot de ander om een echte ontmoeting te vragen. Dat werd zijn arrestatie. De agent die verboden waar aanbood, was de koene, rechtschapen held, de elektronicamiljonair – want die was het – die wel eens wilde weten waarmee hij nu echt te maken had, een levensgevaarlijke pedofiel. Er was niets waarachtigs gepasseerd, in welke zin dan ook.

Je ziet ook bange, onzekere gezichten achter de ramen. Bang en onzeker door alle onheilspraatjes over hackers, over op kleine meisjes jagende internetmiljonairs, over creditcardfraude op het Internet en andere computercriminaliteit, over meeluisterende geheime diensten, aftappen en ongebreidelde, oncontroleerbare registratie van elke stap die je doet. En je bedenkt dat de computer niet gebracht heeft wat Chriet Titulaer en opgewekte ouderwetse sciencefiction zoals de Jetsons-tekenfilmpjes voorspelden: lui onbezorgd genieten van technische verworvenheden. Het kan toeval zijn, maar de oude boeman in het Oosten was nog maar net ingestort of de ruimte die hij achterliet vulde zich met al die dreigende verhalen over de gevaren van het Internet. De koude oorlog werd vervangen door een cybernetische, de spion door de pedofiel, de fellow-traveller door de computercrimineel, de Russische Beer door de enge buurman.

Hackers hebben nog nooit serieuze schade aangericht. Althans, met bezweert wel dát dat gebeurt, maar laat nooit zien wát er dan gebeurd is. Kleine meisjes op het internet dragen meestal een snor of een baard, en niet zelden een politiepet. Op miljarden contacten zijn er niet meer dan misschien een, hooguit twee echte incidenten aanwijsbaar. Het gros van de gevallen is net zo nep als cyberseks zelf en gecreëerd door degenen die zichzelf een rol in de bestrijding ervan toedichten.

Internetfraude met creditcards is ook zelden wat het lijkt. Bijna nooit speelt het Internet een essentiële rol, op zijn best doet het dienst als transportmiddel. Zulke fraude gebruikt wel per computer bijgehouden creditcardgegevens, maar had evengoed per post of met de trekschuit bedreven kunnen worden. Uitzondering zijn domoren die bij een hun onbekende site zomaar met hun kaart iets op bestelling kopen. Dat doe je toch ook niet bij een onduidelijk kraampje op koninginnedag. Verder is er wat pesterij en asociaal gedrag, dingen waarvoor de politie in het echte leven onder geen voorwaarde zijn gecomputeriseerde auto uitkomt.

Toch klinkt van over het water het sissend gemurmel van de zwartste Koude-Oorlogsretoriek. Overal dreigt gevaar! Politie, justitie en overheid roepen om meer bevoegdheden om ons te beschermen. Uit de mond van Tweede-Kamerlid Cherribi hoor je zelfs dat anoniem rondsurfen op het Internet op voorhand als een misdrijf beschouwd moet worden. Wat is er toch in godsnaam aan de hand dat zo iemand wil dat iedereen overal zijn ausweis moet tonen? Dat iedereen een misdadiger is tot het tegendeel is bewezen?

Het is raar, zo snel als de les vergeten is die we een halve eeuw geleden keihard moesten leren: hoe gevaarlijk ook een met de beste bedoelingen opgezette perfecte registratie zomaar ineens kan worden, en hoe gemakkelijk er altijd mensen te vinden zijn om eenmaal aanwezige middelen op verzoek ook ten kwade te gebruiken. Je rilt even en trekt met een hand je jaskraag dichter om je heen; er staat een kille wind op de valreep van de Millennium III. Dan klim je, onvermijdelijk, verder omhoog. Aan boord, met een bang hart maar op hoop van zegen.