Ooggetuigen van het jaar 1000

Er zijn in Nederland nog wel een paar ooggetuigen van het jaar duizend. Sterker nog, bij Juke Dijkstra ligt het vorige millennium op haar bruine werktafel, naast de computer. Potscherven, een mantelspeld en van dierlijke botten gemaakte kammen.

Dijkstra, archeologe en middeleeuwendeskundige van het Archeologisch dienstencentrum in Bunschoten, was de afgelopen jaren betrokken bij drie opgravingen in Tiel. Precies in het gebied en het tijdsgewricht dat Alpertus van Metz duizend jaar terug beschreef.

In het voormalige stroomgebied van de rivier de Linge legde ze de houten resten van de handelsnederzetting en de haven van Tiel bloot. Dijkstra vond 36 bij elkaar in de grond verstopte zilveren munten, waaronder Keulse penningen en een in Engeland geslagen exemplaar uit het jaar 955. Er lagen zaden van korenbloem, haver en gerst, peterselie, selderij en veldsla. De mooiste vondst is een subtiel beschilderde Pingsdorf tuitpot uit het Duitse Rijnland.

Dijkstra was ook in staat om te bewijzen dat het boek van Alpertus van Metz non-fictie is. Tussen de modder zijn de resten gevonden van een Vikingschip. Onderzoek van de jaarringen heeft onomstotelijk aangetoond dat het schip gemaakt is van hout dat rond het jaar duizend moet zijn gekapt in Zuid-Engeland. Er zitten brandsporen op het hout, hetgeen 't aannemelijk maakt dat de boot – die als roei- en zeilboot kon worden gebruikt – in Tiel is afgebrand.

De vondst is opmerkelijk. Dit is het enige schip van de Noormannen dat op het Europese vasteland is aangetroffen. Bovendien lukt het archeologen maar heel zelden om zo'n directe link te leggen tussen schriftelijke bronnen over een periode en een concrete vondst: Dijkstra heeft een van de boten in handen die Alpertus zag opstomen.

En Juke Dijkstra heeft het jaar duizend niet alleen gezien, ze heeft het ook geroken. Dit voorjaar viel haar bij een opgraving in Tiel een plek in de grond op die qua kleur afweek van de omgeving. Het bleek een twee meter diepe beerput die dienst moet hebben gedaan als toilet en prullenbak. ,,Het stonk nog steeds'', zegt Dijkstra. Er zaten onder andere mosselschelpen, mest, strotakjes en hazelnootschillen in. Algehele indruk van het toenmalige alledaagse Tielse bestaan: ,,Het moet een levendige boel zijn geweest.''