Misplaatste meting

De IQ-test begon als een handig middel om moeilijk lerende kinderen de juiste zorg te geven. Het werd een vehikel voor discriminatie en racisme.

Wie het menselijke brein beschouwt, beseft hoe duizelingwekkend ingewikkeld de mogelijkheden van schakelingen, remmingen, stimuleringen en veranderingen daarin zijn. Toch is er een tijd geweest dat men dacht de prestaties van dat complexe brein in één enkele parameter te kunnen vangen: het intelligentie-quotiënt of IQ.

In de vorige eeuw werd al ijverig gezocht naar mogelijkheden voor het in kaart brengen van geestelijke vermogens van individuen. Maar ook en vooral van groepen want het waren de hoogtijdagen van evolutie, volkenkunde en schedelmeting. Een van de eerste series tests werd ontworpen door Francis Galton (1822-1911), neef van Charles Darwin en obsessief aanhanger van `meten is weten'. De eerste testers namen voetstoots aan dat intelligentie ergens in het hoofd traceerbaar zou zijn en dat zij erfelijk was. Galtons tests proberen intellectuele vermogens te bepalen met uitsluiting van invloeden van taal en (sub)cultuur. Dus werd (en wordt) vaak gewerkt met plaatjes, want die zouden minder cultureel gevoelig zijn.

De grondlegger van de huidige IQ-tests is de Fransman Alfred Binet (1857-1911). Deze psycholoog wilde begin deze eeuw vaststellen welke kinderen een achterstand hadden, opdat er op tijd een helpende hand uitgestoken kon worden. Binet benadrukte dat intelligentie geen concreet ding ergens in het hoofd was, en vooral dat het geen statische grootheid betrof. Hij ging ervan uit dat stimuleren en het wegnemen van belemmeringen kinderen beter in staat zouden stellen te leren en problemen op te lossen.

Wat zegt het IQ? Het stelt vast hoe een kind presteert op een aantal testen die leer- en abstractievermogen meten èn het vermogen om zich aan te passen aan nieuwe situaties. De optelsom van deze testuitkomsten wordt afgezet tegen het gemiddelde van zijn leeftijdgenoten. Het IQ betreft dus een verhouding, in 1912 op grond van het werk van Binet ingevoerd door de Duitse psycholoog Stern. Als een meisje van 10 op het niveau zit van een kind van 12 heeft zij een IQ van 120, presteert ze als een 9-jarige dan is het 90. Uiteraard gaat zo'n berekening op hogere leeftijden niet meer op. Voor volwassenen drukt het IQ uit wat hun probleemoplossend vermogen is vergeleken met het gemiddelde. Inmiddels is het idee van het ene IQ-getal goeddeels verlaten. Vaak wordt het IQ al gesplitst in ``verbaal IQ' en `non-verbaal IQ'. En in 1983 lanceerde de Amerikaanse psycholoog Howard Gardner zijn invloedrijke theorie van de `veelvuldige intelligenties'. Er is niet één intelligentie, aldus Gardner. Op zijn minst moet het menselijke verstand worden opgesplitst in taalkundige, logisch-wiskundige, ruimtelijke, muzikale, lichamelijke/bewegings-, interpersoonlijke en introspectieve intelligenties. De IQ-getallen blijven echter raadselachtig zolang het brein een `black box' is waarin onbekende grootheden in onbekende mate bijdragen aan het uiteindelijke testresultaat. Bestaan voor een zeiljacht formules waarin allerlei eigenschappen van het schip gestopt worden resulterend in een getal dat bepaalt of deelname aan een race is toegestaan, voor het brein kennen we alleen de eindgetallen en niet de invloeden daarop.

erfelijk

Ander punt: is intelligentie nu erfelijk of niet? De ontmaskering van de Britse psycholoog Cyril Burt (1883-1971) in de jaren '70 ten spijt – hij fraudeerde met gegevens van gescheiden opgegroeide tweelingen om de hoge mate van erfelijkheid van intelligentie aan te tonen – luidt het antwoord: ja. Maar in welke mate en waar precies gelokaliseerd in het genoom, weet niemand. Waarschijnlijk liggen de factoren voor intelligentie verspreid over vele plaatsen op meerdere chromosomen.

De vriendelijke Binet had onbedoeld een monster gebaard. Er waren psychologen die zich daar graag over ontfermden, met name zij die geloofden in de erfelijkheid van intelligentie. Zo zag begin deze eeuw de Amerikaan Goddard in IQ-tests een middel tot het scheiden en verbeteren van rassen. Hij noemde de geestelijk minvermogenden `morons', maar wist niet precies wat hij met ze aan moest – er was immers ook erg veel eenvoudig werk te verrichten. Tot zijn ontsteltenis moest hij na verloop van tijd vaststellen dat ten minste de helft van blank Amerika moron was, met volwassenen die niet zelden een geestelijk niveau van dertienjarigen hadden. Later erkende hij kortzichtig te hebben gehandeld, evenals zijn collega Terman, die gepropageerd had de maatschappij in te richten op basis van massaal testen.

De psycholoog Robert M. Yerkes (1876-1956) creëerde tijdens de Eerste Wereldoorlog voor de VS een intelligentie-standaard. Samengepakt in zalen werden 1,75 miljoen soldaten aan tests onderworpen. Ze moesten zonder duidelijke instructies – velen kenden nauwelijks Engels – tests maken die vragen bevatten naar merknamen en beroemde personen, en dat in een haastige, geagiteerde sfeer. Menige jongen had nog nooit een potlood in zijn handen gehad. Geen wonder dat verse immigranten lager scoorden, en onder hen Noord-Europeanen weer beter dan Zuid- of Oost-Europeanen. Geen wonder dat zwarte soldaten eveneens laag uitkwamen. Eenvoudige jongens werden ingedeeld in vijf klassen A-E, inclusief plussen en minnen (in Huxley's Brave New World dankbaar gebruikt). Dit alles is beeldend beschreven door Stephen Jay Gould in The mismeasure of man (1981/1996).

Zag de legerleiding weinig in IQ-tests, de eugenetische beweging buiten de kazernepoorten des te meer. Yerkes was later tot inkeer gekomen, maar zijn onderzoek ging een eigen leven leiden. `Geestelijke inferioriteit' werd gebruikt als rechtvaardiging voor het ontbinden van gezinnen, het steriliseren van honderdduizenden vrouwen, het afdwingen van voor-huwelijkse screening en apartheid jegens zwarten. Ook vormden IQ-tests de basis voor de beruchte immigratiewetten van 1924, met lage quota voor anderen dan `etnische' Noord-Europeanen – alles beijverd door de psycholoog Brigham. In de jaren dertig werd deze regelgeving talloze joden fataal. Het groeiende inzicht in wat in nazi-Duitsland en de bezette gebieden gebeurde, deed de eugenetische beweging overigens geen goed. Toen na de Tweede Wereldoorlog de omvang van het drama duidelijk werd, verstomde haar stem bijna totaal. Maar niet helemaal. In landen als Zuid-Afrika en China woekerden de eugenetische denkbeelden voort. En Lee Kuan Yew, de verlichte leider van Singapore, vond tien jaar geleden dat intelligente, hoogopgeleide vrouwen veel kinderen moesten krijgen, en domme vrouwen juist weinig (de doelgroep gehoorzaamde overigens niet).

Intussen waren in de jaren twintig en dertig de intelligentietests niet meer aan te slepen. Industrie, overheid, scholen: allemaal wilden ze IQ-labels voor iedereen. De resultaten werden bepaald niet gebruikt zoals Binet had bedoeld. Ze dienden discriminatie in de dubbele betekenis van het woord: onderscheiding èn achterstelling. Op individueel niveau èn op groepsniveau. Tussen 1920 en 1970 is vrijwel iedere jongere in landen als de VS en Nederland tenminste één keer getest.

poortwachter

Van tientallen miljoenen zijn de mogelijkheden en kansen tamelijk eenzijdig vastgesteld op grond van een IQ-test. Vaak fungeerde die als onverbiddelijke poortwachter en voor velen zat een herkansing er niet in. Psycholoog Fons van de Vijver: ``Toch is het geen slechte test. Bij verstandig ontwerp en gebruik is er goed mee te werken.'' Natuurlijk heeft men in de loop van de tijd meer oog gekregen voor de sociale en culturele elementen in IQ-tests die sommigen bevoordelen en anderen juist benadelen. Van de Vijver: ``Naast cognitieve aspecten zitten er in IQ-tests ook veel culturele en sociale componenten. Hun aandeel wordt nogal eens onderschat. Naast cognitieve componenten spelen in niet-westerse opvattingen vooral sociale componenten een rol. Die komen in westerse IQ-tests nauwelijks aan bod. Kennis, taal en cultuur bepalen de uitkomst van een IQ-test meer dan menigeen denkt.''

Wat is nu de status van de IQ-test in Nederland? De uitslag van een IQ-test heeft een uitstekende voorspellende waarde voor de uitslagen van volgende IQ-tests. Verder zijn tests nuttig bij het bepalen van de leermogelijkheden van een kind, bijvoorbeeld bij de keuze van de middelbare school. Er blijkt een tamelijk goede samenhang te bestaan tussen IQ-test en vaardigheden en prestaties op school. In het hoger onderwijs is dat verband al veel zwakker. En als voorspeller van de uiteindelijke loopbaan slaat het IQ al helemaal een modderfiguur. Om maar te zwijgen van het (levens)geluk dat iemand ten deel valt.