Mahatma Gandhi

1948 was een slecht jaar voor de vrede: het jaar waarin de kandidaat die het meest aanspraak heeft gemaakt op de Nobelprijs voor de Vrede werd doodgeschoten. Mahatma Gandhi stierf 30 januari, 78 jaar oud. Dat jaar werd geen prijs toegekend wegens ontbreken van een `passende levende kandidaat'.

Dat Gandhi de prijs ook postuum nooit heeft gekregen, is een smet die niet meer uitgewist kan worden. Het is een tragische ontkenning van zijn grote betekenis: als nationalist, maar vooral als vredelievend voorvechter van rechtvaardigheid en tolerantie.

Gandhi is een persoonlijkheid, zei Albert Einstein, waarvan ,,latere generaties zich nauwelijks kunnen voorstellen dat hij in levende lijve op aarde heeft rondgelopen.'' Gandhi de heilige – zo is hij blijven voortleven. `Gandhi de film' viel in 1982 met acht Oscars wel in de prijzen. Gandhi op het filmdoek heeft de ongrijpbare gedaante aangenomen van een zuiver mens wiens opofferingen, zijn extreme nederigheid en zijn halsstarrige hang naar geweldloosheid Messiaanse proporties aannemen in een tijd waarin individualisme, materialisme en machtspolitiek overheersen.

Gandhi de levende was een eigenwijs mannetje dat zich in Zuid-Afrika uit een eersteklas treincoupé liet zetten – verboden terrein voor kleurlingen en dus ook voor Indiërs, zoals hij heel goed had kunnen weten. Gandhi bleef 21 jaar in Zuid-Afrika waar hij zijn sociaal activisme, met burgerlijke ongehoorzaamheid als effectief instrument, voor het eerste uittestte op de Britse autoriteiten. In de jaren twintig werd `de halfnaakte fakir' – zoals Churchill hem eens noemde – de politieke en morele leidsman van het ontluikend nationalisme in India. In 1930 schudde hij, `aan de fundamenten van het Empire', door in strijd met het Britse monopolie zout te scheppen op het strand van Dandi. Miljoenen volgden hem – een eenvoudige daad die door de Britten op waarde werd geschat: zij schoten zeventig mensen dood en pakten duizenden mensen op.

Nationalistische leiders in Azië hebben vooral inspiratie gevonden in Gandhi's ongehoorzaamheid aan de autoriteiten. Maar bij de koloniale overheersers die hun overzeese gebieden zagen afbrokkelen, waren de wonden in 1948 te vers om hem te eren. Met de lieve, katholieke Moeder Theresa lag het 31 jaar later een stuk minder gevoelig. Een troost: de hindoe Gandhi zelf zou ook geen behoefte hebben gehad aan lauwerkransen. Zijn nationalisme was humanisme. Zijn ideaal was een verenigd subcontinent waarin volkeren en religies vreedzaam naast elkaar leven. De werkelijkheid werd er één van een bloedbad tussen hindoes en moslims, bezegeld door de scheiding tussen India en Pakistan. Op het onafhankelijksfeestje in 1947 bleef Gandhi weg; een jaar later zou hij ongetwijfeld hetzelfde hebben gedaan in Oslo – als hij de kans had gekregen.

Wim Brummelman