Levende batterijen

In de dierentuin Artis in Amsterdam hebben ze er eentje. Een sidderaal. Hij ligt stilletjes in een klein aquarium. Je mag hem niet aanraken, want dat is erg gevaarlijk. Niet omdat deze slangachtige vis zou bijten, maar omdat hij je een stroomstoot van zo'n 600 Volt kan bezorgen. Daar ga je niet dood van, maar je raakt wel buiten westen van de klap. Hoe voelt dat, 600 Volt? Misschien heb je ooit met een schaar of een paperclip in een stopcontact zitten peuren. Dan krijg je een klap van 220 Volt – en dat kan je dood betekenen; probeer het dus niet. Nooit. De schok van een sidderaal komt drie keer zo hard aan. Van sidderalen wordt gezegd dat ze een paard kunnen elektrocuteren. Ze gebruiken de elektriciteit om hun prooi te verdoven. Die wordt vervolgens opgegeten.

De sidderaal is een elektrische vis. In het Latijn heet hij Electrophorus electricus. Het beest heeft een kleine kop, vlak daarachter liggen de meeste organen. De rest is staart, die beslaat 7/8 van zijn lichaam. Het is de staart die de elektriciteit maakt. De staart is eigenlijk één dikke homp spieren. Spieren zijn opgebouwd uit dunne, lange kabels die tegen elkaar aan liggen, de spiercellen. De sidderaal heeft honderdduizenden spiercellen in zijn staart. Zo'n 5.000 tot 6.000 spiercellen hebben een speciale functie. Ze lopen langs de flank van de vis en eindigen net onder de huid. De ene eindigt ergens in het midden van de staart. De ander een stukje verder. De elektrische uiteinden van de spiercellen liggen allemaal netjes achter elkaar. Als een rij dominostenen. Zowel aan de linkerkant als aan de rechterkant van de sidderaal. Ze zijn eigenlijk gerangschikt zoals de elektrische cellen in een accu, of een batterij.

Het uiteinde van zo'n speciale spiercel is eentiende millimeter groot. De cel kan korte stroomstootjes geven. Zo'n duizend per seconde. En dat levert ongeveer 0,14 Volt aan elektriciteit op. Een gemiddelde sidderaal heeft zo'n 230 van die uiteinden op een centimeter staart. Dus, per centimeter produceert de vis 30 tot 32 Volt. Maar bij grote sidderalen zijn die uiteinden minder dik gezaaid. Een sidderaal kan twee meter lang worden. Trouwens, er wordt wel eens gezegd dat je een lampje kunt laten branden door hem tegen een sidderaal aan te houden. Dat is niet waar. Om een lamp te laten branden moet je voortdurend stroom blijven leveren. De schok van de sidderaal duurt maar even.

In de vrije natuur zul je een sidderaal niet snel tegenkomen. Ze leven alleen in de Amazone en de Orinoco, twee rivieren in Zuid-Amerika. Maar er is een andere elektrische vis die dichterbij woont. De sidderrog. Hij komt voor in de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan. Ook hij heeft elektrische orgaantjes. Ze zitten verborgen in zijn borstvinnen. Deze `levende batterijen' zenden schokgolven door het water om slachtoffers in de buurt te doden. Soms klemt de sidderrog zijn prooi tussen zijn borstvinnen en geeft hem dan een stroomstoot. De klap is minder heftig dan die van de sidderaal. Een sidderrog produceert 45 tot 200 Volt. Pas als zijn prooi dood is, eet de sidderrog hem op.