Laat dat denken maar weg

Introspectie leidt niet tot wetenschap, ontdekten psychologen eind vorige eeuw. Maar het behaviorisme, onder het motto `weg met de introspectie', leidde evenmin tot veel inzicht.

Er liggen twee behavioristen met elkaar in bed. Zegt de een tegen de ander: ``Jij vond het fijn zeg! En ik?''

Dit onder psychologen bekende grapje geeft de essentie weer van het behaviorisme, de stroming die de psychologie in de jaren twintig, dertig en veertig domineerde. Alleen uiterlijk waarneembaar, en dus objectief meetbaar gedrag kan wetenschappelijk onderzocht worden. Alles wat zich in het hoofd van mensen afspeelt, moet genegeerd worden.

Wie er nu op terugkijkt, is misschien verbaasd over het succes van deze wetenschapsopvatting. Hoe kunnen juist psychologen nu volkomen voorbijgaan aan alles wat mensen denken, voelen en waarnemen? Maar het idee dat mensen gedachteloos reageren op dingen in hun omgeving is de laatste jaren zelfs een come-back aan het maken.

Het behaviorisme was de tweede poging van de psychologie om een echte wetenschap met een eigen onderzoeksmethode te worden. Bij de eerste poging, eind vorige eeuw, was wel geprobeerd om menselijke gewaarwordingen te onderzoeken, maar dat bleek niet mee te vallen. In een poging om alle `bewustzijnselementen' in kaart te brengen, analoog aan het periodiek systeem der elementen uit de scheikunde, noteerde een Engelse onderzoeker toen bijvoorbeeld dat er ruim 44.435 verschillende, elementaire gewaarwordingen bestaan. Dat aantal had hij door `introspectie' (zelfonderzoek) verkregen.

Maar introspectie bleek al gauw geen objectieve methode. Een tijdgenoot telde slechts zo'n 12.000 `bewustzijnselementen'. En daarnaast bestond ook nog eens het vermoeden dat je van introspectie plegen wel eens gek zou kunnen worden.

De Amerikaan James Watson verbande de introspectie voorgoed uit de psychologie. Geïnspireerd door de Russische fysioloog Ivan Pavlov, die had aangetoond dat dierlijk gedrag te verklaren is in termen van `stimuli' (een hond eten geven) en `responsen' (de hond gaat kwijlen), beargumenteerde hij dat ook de psychologie een gedragswetenschap moest worden. Het onderzoeken van stimulus-responspatronen bij mensen zou het mogelijk maken om het gedrag van mensen volledig te verklaren, voorspellen en beheersen.

De behavioristen deden vooral onderzoek bij dieren. De tweede godfather van het behaviorisme, de Amerikaan Burrhus Skinner, leerde duiven bijvoorbeeld `pingpongen' met belonende en straffende `stimuli'. Verder werd hooguit met heel jonge kinderen geëxperimenteerd. Beroemd is de uitspraak van Watson dat hij wel een dozijn kinderen zou willen hebben, om hen te vormen tot wat men maar wilde: dokter, advocaat, dief... Hij heeft ze gelukkig nooit gekregen. Zijn experimenten met de elf maanden oude baby Albert zijn al bedreigend genoeg: door een harde knal te laten klinken zodra het kind een ratje wilde aaien, maakte Watson het bang voor alles wat zacht en pluizig was.

Uiteindelijk raakte het behaviorisme op een dood spoor. Het kon wel gedrag van dieren en kinderen verklaren, maar geen complex menselijk gedrag, zoals het voeren van een gesprek, waarbij mensen op elkaars gedrag anticiperen. De opkomst van de computer, eind jaren veertig, begin jaren vijftig, betekende de nekslag voor het behaviorisme: het idee ontstond dat ook de mens gezien kon worden als een `informatieverwerkend systeem', en dat dat uiteindelijk complex gedrag zou kunnen verklaren.

Het enthousiasme over wat de `cognitieve revolutie' is gaan heten, was enorm. Psycholoog George Miller stelde zelfs de datum vast waarop de nieuwe cognitiewetenschap werd geboren: 11 september 1956 – de dag waarop men zich op een symposium over informatieverwerking op het Massachusetts Institute of Technology over de menswetenschappen boog.

Tot voor kort werd de psychologie gedomineerd door de gedachte dat niet de `stimuli' in de omgeving bepalen hoe we ons gedragen, maar de manier waarop we die stimuli zelf, bewust, actief interpreteren. Maar onlangs is het behaviorisme toch op een onverwachte manier weer de psychologie binnengeslopen. Eind jaren negentig toonde John Bargh van New York University aan dat ook complex gedrag direct door de omgeving kan worden opgewekt – zonder dat we er tussendoor over nadenken. Bargh liet proefpersonen bijvoorbeeld woordspelletjes spelen waar veel synoniemen van `beleefd' in voorkwamen, of juist veel synoniemen van `grof'. Het bleek vervolgens dat mensen in de `grof'-groep de proefleider vaker in de rede vielen. In een ander onderzoek bleek dat mensen die woordjes als oud, grijs, vergeetachtig hadden gelezen, langzamer naar de lift liepen na het onderzoek dan een controlegroep. En Barghs collega Ap Dijksterhuis van de Katholieke Universiteit Nijmegen liet zien dat mensen beter zijn in het beantwoorden van Triviantvragen als ze daarvoor eigenschappen van stereotiepe professoren moesten opnoemen, dan wanneer ze hetzelfde voor voetbalsupporters hadden moeten doen. De proefpersonen in de studies waren zich niet van de effecten bewust. De stimuli leidden direct, zonder tussenkomst van gedachten, tot een respons.

PER ONGELUK

En eigenlijk wéten we ook best dat een groot deel van ons gedrag automatisch verloopt. We merken het bijvoorbeeld als we naar de bibliotheek willen fietsen, en per ongeluk bij ons werk uitkomen, omdat het eerste deel van de route hetzelfde is. Voor een belangrijk deel zíjn we niet anders dan stimulus-responsmachines. Maar dat vinden veel mensen, ook objectieve wetenschappers, geen prettige gedachte, denken Bargh en Dijksterhuis. Hun onderzoekslijn werd aanvankelijk nogal eens kritisch ontvangen, omdat ze geen uitspraak konden doen over de precieze processen tússen stimulus en respons.

Volgens Bargh komt dat doordat zijn resultaten precies dezelfde emotionele reacties oproepen als het behaviorisme in de jaren vijftig: mensen willen er gewoon niet aan dat ze slechts een zeer beperkte vrije wil zouden hebben. Daarom waren ze ook zo enthousiast over de cognitieve psychologie. En daarom maken ze in hun vrije tijd grappen over sociaal gevoelloze behavioristen.

Bargh vindt het trouwens wel belangrijk dat die tussenliggende processen verder onderzocht worden, benadrukt hij in zijn artikel `Beyond behaviorism', dat binnenkort gepubliceerd wordt in Psychological Bulletin. Anders maakt de huidige generatie dezelfde fout als de behavioristen, die zeiden dat dat niet kon en dat het wel nooit zou kunnen. Bargh is optimistisch over de mogelijkheden, vertelt hij. ``Er wordt nu al gezocht naar specifieke hersenlocaties die verantwoordelijk zijn voor deze effecten. Ik denk dat we binnen tien jaar een hele hoop meer kennis hebben over dit onderwerp.''