Kerst is meer dan vrede op aarde

Het godsdienstige karakter van de viering van Christus' geboorte is ontaard in een moment van bezinning, waarop mensen zich even niet met hun dagelijkse beslommeringen willen bezighouden. A. Th. van Deursen meent dat dit geheel voorbijgaat aan de betekenis van het kerstfeest, dat bedoeld is als een eerbetoon aan God.

Het zal ongeveer 35 jaar geleden zijn dat ik een gezelschap jongeren op de televisie met elkaar zag discussiëren over het kerstfeest. De opening van dat gesprek is mij het beste bij gebleven. ,,Misja'', vroeg de programmaleider, ,,wat betekent Kerstmis nu voor jou als jood?''

Van de naam Misja ben ik niet zeker. Ik wil die best voor een andere verruilen en het doet er ook weinig toe. Wel belangrijk waren twee dingen. Ten eerste natuurlijk de eigenaardige vraag, ten tweede het antwoord, want Misja ging er in alle ernst op in. We hadden toen de grote verandering van de late jaren zestig nog niet meegemaakt. De meerderheid van het Nederlandse volk stemde op een christelijke partij. Duizenden mensen hadden kunnen uitleggen waarom deze kerkelijke feestdag was ingesteld. Dan hadden we meteen begrepen waar de discussie nu precies over ging. Wil je het fijne weten van Grote Verzoendag, dan vraag je dat niet aan een moslim, en een christen is niet de eerst geroepene om duidelijk te maken wat ramadan eigenlijk is. Maar waarom zou je dan wel juist aan een buitenstaander vragen naar het christelijke kerstfeest?

Misja's antwoord maakte veel duidelijk. Hij hield een keurig toespraakje over vrede op aarde en mensen van goede wil. Het was de ideale inzet voor een harmonische gedachtenwisseling in de beste tradities van een zalig kerstfeest. Van conflictmodellen wilden we toen nog niet weten. De gespreksleider zag het als zijn eerste plicht heel het gemengde gezelschap bijeen te houden in een prettige sfeer. Misja heeft hem die dienst bewezen. De kritische vragen gingen vooral over het kerstmenu. Was dit nu wel de passende gelegenheid voor kerstkalkoen en andere blijken van feestelijke overdaad? Maar zelfs dat ene punt van twijfel bleef onbeslist in de lucht hangen.

Toch was er alle ruimte geweest voor een meer fundamentele tegenwerping. Mensen van goede wil hebben toch geen kerstfeest meer nodig om de vrede te bewaren. Of worden ze pas goedwillig met en door het kerstfeest? Er moet in dit antwoord een element ontbreken. De engelenzang in het evangelie naar de beschrijving van Lucas begint dan ook niet met vrede of goede wil. Ze begint met de woorden `Ere zij God in den hoge'.

Het zou ook niet anders kunnen. Kerstmis is een christelijke feestdag en het christendom is een godsdienst. Dat woord moeten we ernstig nemen. Godsdienst is geen mensendienst. Mensen kunnen daar nooit in het middelpunt staan. Voor velen is dat reden genoeg om alle godsdienst van de hand te wijzen en niemand zal het hun verbieden. Het staat ieder vrij te zeggen dat hij niet in een God gelooft en het kerstfeest te vieren als een variant op Sinterklaas of als een winterse familiereünie. Kerst is hem dan geworden tot aanleiding voor iets heel anders, zoals in Rusland wereldvrouwendag gevierd wordt als een mooie gelegenheid om een cadeautje te geven aan het meisje dat je het aardigst vindt. Hij kan ook net als Misja mediteren over vrede op aarde. Als hij dan echter het `ere zij God' overslaat, is ook voor hem Kerstmis geworden tot aanleiding voor iets hel anders. Het is leuk om aardige meisjes iets cadeau te doen en het verrijkt ons als we de gedachten eens verheffen boven de dagelijkse beslommeringen. Maar het eerste doet geen recht aan de oorspronkelijke bedoelingen van de achtste maart en het tweede gaat voorbij aan wat wezenlijk is voor de 25ste december.

Kerstmis begint met het `ere zij God'. Aan die voorwaarde is het gebonden want we vieren immers een godsdienstig feest. God dienen betekent God de eer geven. Onze tijd heeft moeite te begrijpen wat daarmee gezegd wordt en misschien is dat wel de grootste verandering die zich in dit millennium heeft afgespeeld. Dat komt omdat voor de meesten mensendienst het hoogste is dat we kunnen nastreven. We bedrijven mensendienst in tweeërlei opzicht. Ten eerste zijn we bereid anderen te dienen als we hulp bewijzen aan de naaste, thuis of overzee. Ten tweede dienen wij onszelf, door ons geestelijk te ontplooien en onze innerlijke potenties te stimuleren, om volledig mens te zijn in de edelste zin van het woord.

Wie zo leeft draagt het zijne bij om de kwaliteit van het leven in deze wereld te verbeteren. Dat is goed en respectabel en ik denk dan ook dat Misja een nobel mens is geworden. Maar de kerstnacht heeft een andere betekenis. Christus' geboorte wil aansporen tot naastenliefde, maar niet tot mensendienst. Niemand komt eer toe dan God alleen, schreef Luther over de engelenzang. ,,Die Ehre gebühret niemand, denn alleine Gott.'' Dat is nu godsdienst. Onze gedachten richten zich dan niet op een abstracte hogere macht, of op een bovenaards wezen van wat meer dan menselijke afmetingen. God is de volmaakte, de geheel andere, die we alleen kennen omdat en voorzover Hij zich aan ons bekend heeft willen maken. De mens kan enkel in eerbied tot God naderen. Eerbetoon aan mensen mag er dan wel zijn, maar is van een andere orde.

Dat is de inzet van de kerstnacht. Wat dan nog volgt in de engelenzang is uitleg en herhaling van de eerste woorden. We moeten ons dan nog eens realiseren wat godsdienst is. De aarde en al de mensen die daarop wonen zijn door God geschapen. Alles wat we zien en zijn is zijn product, het is van Hem afhankelijk en dankt aan Hem het leven. Dan zal de hele aarde ook vol moeten zijn van zijn eer, en dus van vrede. Hoe zou een mens kunnen kijven en twisten in het aangezicht van de Almachtige? Waar God geëerd wordt, daar moet vrede zijn, of om nogmaals met Luther nu het omgekeerde te zeggen: waar Gods eer niet is, kan ook geen vrede zijn.

En de mensen van goede wil, die ons onder die naam zijn overgeleverd in de Latijnse tekst van Lucas' evangelie, en vandaar bekend geworden uit katholieke bijbeledities? Die zullen we moeten bijzetten in de geschiedenis. De juiste lezing van de Griekse tekst is, naar ik van de exegeten begrijp, onzeker. Maar de mensen van goeden wille hebben hun tijd gehad. Ook de katholieke Willibrord-vertaling heeft hier nu, `op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft'. Hetzelfde dus opnieuw in andere woorden: de mensen die instemmen met het `ere zij God'. Dat zijn de mensen in wie God een welbehagen heeft.

Dat is kerstfeest vieren zoals de kerk het van ouds heeft bedoeld. Maar wat vieren we dan eigenlijk? De geboorte van het kind in de kribbe, zullen velen antwoorden. En daar blijven we dan staan, alsof de geschiedenis voor eeuwig halt houdt in de stal van Bethlehem. De Christus van het kerstverhaal heeft een heel bijzondere plaats in de wereldgeschiedenis gekregen. Hij is de enige baby die nooit groter wordt. Vertederend, schattig, en een klein beetje zielig. `Het is een kindje, lief en klein, dat wil altijd je vriendje zijn'. Daar hebben we de onvervalste kerstsfeer van de met kaarsen en slingers opgetooide boom, en het is nog wel een kerstlied uit het Liedboek voor de Kerken, een vertaling van het Duitse `Von Himmel hoch da komm ich her'. Dat Duitse vers is niet het mooiste gedicht dat ooit voor de kersttijd is geschreven, maar dat vriendje komt er toch niet in voor. `Das soll eur' Freud' und Wonne sein', heet het daar, en dat kijkt verder dan de kribbe van Bethlehem. Kerstfeest is een begin. Zoals alle geschiedenis ontleent het zijn betekenis aan het vervolg. De vragen die eerst open bleven vinden dan hun antwoord. Goede vrijdag en paasfeest zullen straks terugwijzen naar kerstmis. Het kruis van Golgotha en het lege graf op de paasmorgen verklaren wat er in de kerstnacht begonnen is. Vanwege dit vervolg hebben de engelen gezongen `Ere zij God'. Dat gaat over kruis en kribbe tegelijk. Het is Gods eigen Zoon, die straks aan het kruis hangt en nu in de kribbe ligt. Het evangelie doet ons verslag van vele wonderen, zegt Augustinus in De Civitate Dei, De Stad Gods. Het eerste is de geboorte in Bethlehem, het laatste de opstanding uit de dood. Zo las Augustinus het kerstverhaal. Hij heeft het kind in de kribbe herkend als de Zoon van God. Voor hem was het een door de geschiedenis geboekstaafd wonder, het eerste in een lange reeks. Hij kon dat verhaal zo lezen, omdat hij wist hoe het begon, met de woorden `Ere zij God'.

De Stad Gods is geschreven naar aanleiding van een oorlog, en het boek heeft dan ook veel te zeggen over vrede. Vrede, zegt Augustinus, dat is wat iedereen wil. De natuur brengt met zich mee, dat we om ons heen vrede nodig hebben om gelukkig te kunnen zijn. Rovers en moordenaars houden vrede met hun rotgenoten, en de tijgerin legt haar wrede wildheid af, als ze met haar jongen verkeert. Zelfs hij die een oorlog begint is op vrede uit. Hij doet dat om de vrede tot stand te brengen zoals die hem het beste bevalt, als hij eenmaal de overwinning heeft behaald. Vrede betekent voor hem, dat de anderen moeten leven naar zijn welbehagen. Maar de vrede Gods haat hij, want dat is de vrede der gerechtigheid.

Naar de opvatting van Augustinus kan dus de vredeswil van mensen onmogelijk iets waard zijn. Wat zij vrede noemen is niets anders dan de meest krasse handhaving van ongebreideld eigenbelang. Ook zonder dat hij hier het kerstevangelie aanhaalt, ziet hij dezelfde samenhang als in het lied van de engelen. Vrede, zegt Augustinus, is een welgeschikte orde. Dat kan alleen de orde zijn van Gods wet.

Augustinus staat midden in het eerste millennium, dat tweeduizend jaar geleden begon met de geboorte van Christus. Zijn land van herkomst wordt nu door moslims bewoond. De christelijke godsdienst verdween uit Noord-Afrika en Azië, en verplaatste haar zwaartepunt naar Europa. Zo zag de aarde er nog uit aan het begin van deze eeuw. Wie in een atlas uit die tijd de kaart van de wereldgodsdiensten opslaat, ziet dat Europa de kleur heeft die de kaartenmakers voor het christendom hebben gekozen, met uitzondering van een paar kleine plekjes op de Balkan en de Kaukasus. Ze hebben dat ook heel lang volgehouden. In mijn eigen boekenkast is alleen de Bos-atlas van 1955 te vinden. Die kleurt heel Europa christelijk, met inbegrip van de Sovjet-Unie, tot ver in Siberië toe.

Het is nu een geschikt moment om zo'n kaart eens te overzien. Christelijk Europa kunnen we dan omschrijven als het gebied waar kerstfeest gevierd wordt. Het is een wat schrale definitie. Ze wil zeggen dat het christelijk karakter hoofdzakelijk historisch bepaald is. Waar we het vieren maakt niet veel verschil. We kunnen ons neerzetten onder de kerstboom in Nederland, Duitsland, Frankrijk of Zweden, overal zullen ons dezelfde varianten worden aangeboden. Een verlate Sint Nicolaas, een gezellig avondje in de familiekring, een bespiegelend woord over vrede op aarde en mensen van goede wil.

Misschien zou ik toch het liefste kerstfeest vieren in één van die landen waarvan de christelijke kleur ons in de atlas van 1955 verwonderde. Zou het kunnen zijn, dat tenminste sommigen daar het kerstfeest opnieuw ontdekt hebben als het feest van Gods welbehagen? Russen wensen elkaar geen zalig kerstfeest. Ze wensen elkaar met het kerstfeest geluk. Het is niet iets dat ze zelf maken, maar een gave die ze ontvangen. En zo is kerstfeest ook bedoeld.

Prof.dr. A.Th.van Deursen is emeritus hoogleraar nieuwe geschiedenis aan de Vrije Universiteit.