Jean Monnet

Laat anderen het werk voor u doen, maar strijk zelf met de eer. Zo luidt nummer 7 van de `48 wetten van de macht', zoals een recent Amerikaans boek 3000 jaar machtsspelletjes samenvat. De Franse ambtenaar Jean Monnet kende, als een van die anderen, die wet goed. Hij was de bedenker van het plan-Schuman, waarmee in 1950 de Europese integratie werd gelanceerd. Robert Schuman, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, is er onsterfelijk mee geworden. Monnet is gewoon dood.

En hij wordt gemist. Want wat krijg je als politici met je ideeën aan de haal gaan? Een Europese Commissie die bepaalt dat glazenwassers niet langer op ladders mogen werken. Een Europees parlement dat op drie plaatsen tegelijk declareert. Een Europese Raad van ministers die tot diep in de nacht sleutelt aan wetgeving die niemand precies begrijpt maar die iedereen treft.

Zo was het niet bedoeld. Monnets plan, kort na de Tweede Wereldoorlog, was even simpel als verstrekkend. Breng de productie van kolen en staal van de voormalige vijanden onder een gezamenlijke autoriteit. Schep een gemeenschappelijke markt en zie: je hebt twee onmisbare grondstoffen voor oorlogsvoering aan de controle van nationale regeringen onttrokken.

Vervolgens, zo voorzag Monnet, zou integratie van een zo belangrijke economische sector vanzelf leiden tot integratie van aanverwante sectoren, en uiteindelijk van de hele economie. Oorlog tussen de deelnemende landen zou ondenkbaar worden, of op z'n minst onpraktisch.

Het werkte. De lidstaten van wat aanvankelijk de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal heette en nu de Europese Unie, hebben onderling geen oorlog meer gevoerd. Dat is in het licht van de geschiedenis bepaald a-typisch. De Europese volkeren hebben een reputatie te verliezen op het gebied van bloedige oorlogsvoering. Zou Engeland vroeger de marine hebben gestuurd als Frankrijk Brits vlees de toegang weigerde, nu dreigt het met een dispuut voor het Europese Hof. En passant heeft de Europese integratie de deelnemende bevolkingen ongekend rijk gemaakt. En voor wie nog aan het succes twijfelt: een lange rij landen staat te dringen om eraan mee te doen.

Voorwaar een Nobelprijs waard. En wel snel, want hoe lang heeft de Europese Unie eigenlijk nog? Ze dreigt onbestuurbaar te worden met zoveel leden. Bovendien wordt de macht die de gemeenschappelijke instellingen op de lidstaten hebben veroverd, steeds meer door regeringen teruggenomen. Het personeel van die instellingen verdient ook weinig beter, getuige de berichten over Brusselse corruptie en wanbeleid. Dat zou het enige argument zijn om Monnet toch maar niet postuum de Nobelprijs toe te kennen: het prijzengeld zou door zijn opvolgers worden verdonkeremaand. Beter zou een nieuwe Monnet opstaan.

Hans Nijenhuis