Hoe was het uwe?

Tussen Naarden en Muiderberg maakt de weg naar Amsterdam een flauwe bocht naar het noorden. Daar kun je de zee zien liggen, dat wil zeggen het Gooimeer. Op dit punt beschouw ik het als de Zuiderzee, en altijd denk ik even aan Floris de Vijfde, `der Keerlen God', zoals we hem op school noemden. Het is 704 jaar geleden dat hij daar door de edelen werd vermoord. Iedereen (hoop ik voor iedereen) heeft zijn eigen millennium. Dat van mij begint bij Muiderberg in 1296.

Deze Floris was niet zo'n grote vriend van het proletariaat als we leerden. Eerder een sluw politicus, een intrigant die de baas wilde zijn, het liefst van heel Noord-Holland, wat hij tenslotte ook werd. Maar blijkbaar werden de bijzonderheden niet geschikt voor de kinderen gevonden en zo bleef hij de vriend van de boeren die door de edelen werd doodgeslagen. Mijn generatie is opgevoed met een diepe achterdocht tegen de edelen.

Volgende week praat iedereen over `het millennium dat achter ons ligt'. Wat denken we erbij? Mijn eerste voorstelling van deze duizend jaar is een lappendeken van herinneringen aan de geschiedenisles, de schoolplaten van Johan Herman Isings, de schetsen van Leonardo, de zwart-witfoto's uit de Eerste Wereldoorlog.

Mijn millennium overziend, geloof ik dat Floris werd opgevolgd door Jacoba van Beieren en haar gemaal Frank van Borsselen – niet historisch maar in mijn particulier retrospectief. Dan komt Philip de Schone, getrouwd met Johanna de Waanzinnige. Bij mijn ouders in de kast stond het boek dat Johan Brouwer over haar heeft geschreven. Philip vatte kou na een partijtje tennis en stierf aan longontsteking, hadden we op school geleerd. Ik las dat Johanna geen afscheid van hem konnemen. Ze zwierf met het vorstelijk overschot in een lijkkoets over de Catalaanse hoogvlakte, liet soms midden in de nacht halthouden, opende de kist en overdekte de stoffelijke resten met kussen, tot afgrijzen van de koetsiers. In dit verband heb ik voor het eerst het woord afgrijzen bewust gelezen. Daardoor zal het komen dat het voor mij zijn volle lading heeft gekregen en bewaard. Als ik het gebruik, denk ik even aan Philip de Schone.

De moderne tijd daagt bij het begin van de Tachtigjarige Oorlog en is definitief aangebroken als Den Briel door Lumey en Blois van Treslong wordt ingenomen. Het Twaalfjarig Bestand vond ik weggegooide tijd. Ik was fel tegenstander van de onthoofding van Johan van Oldenbarneveldt hoewel zijn naam en titel – raadspensionaris – me tegenstonden.

Bij het aanbreken van de achttiende eeuw ging ik naar de middelbare school die nu VWO heet. De oorlog was juist uitgebroken zodat me van die periode niet veel bijstaat. Maar gelukkig verhuisde ik naar de volgende school waar ik een bezielde geschiedenisleraar trof, A. A. Muste die meeslepend kon vertellen over de Franse Revolutie, Mirabeau, de Eed in de Kaatsbaan en de bestorming van de Bastille, alsof hij er zelf bij was geweest. Ook Napoleon was aan hem, en dus aan ons kinderen besteed. Toen begon de Hongerwinter en de scholen gingen dicht. Daarmee was, hoe merkwaardig het mag klinken, mijn millennium afgesloten.

Wat je later leert is principieel anders. Met dankbaarheid – geen frase – denk ik aan George Sabine's A History of Political Theory, het boek van een verteller, een ideeëngeschiedenis. Het principiële verschil is dat die ontvangen wordt door iemand die geen kind meer is. Kinderen denken in beelden. Dat de edelen van Floris me niet bevielen, betekende niet dat ik een grote sympathie voor hun slachtoffer koesterde. Veel later, toen de welzijnswerkers verschenen, zag ik hem plotseling voor me, scherper dan ik me hem als kind had gedacht. Een hulpverlener. Dat zijn daden niet met zijn lagereschoolreputatie in overeenstemming zijn, het valt me eerlijk gezegd mee, maar ik kan er niets meer aan veranderen.

Kinderen van de lagere school: ik wens jullie de beste vertellers. Ik leerde over de mieren, ook onvergetelijk. Als twee mierenlegers op elkaar stootten, volgde er een gevecht waarbij de poten en sprieten ervanaf vlogen. Eén leger won, vanzelfsprekend. Dat nam het nest in bezit, roofde de poppen, at ze op, nog meer verschrikkelijks. Speel ik dat ik een kind ben, en ik `kijk terug' in het afgelopen millennium, dan kijk ik in een koker, eindigend in de schemering. Mierenlegers slachten elkaar af, daar rijdt Johanna de Waanzinnige op de Catalaanse hoogvlakte, Lumey en Blois rammeien de poort van Den Briel, om de hoek staat Balthazar Gerards.

Graag zou ik willen lezen wat iemand in het jaar 3000 te schrijven heeft over het millennium dat wij nu aansnijden. Soms heb ik het gevoel dat ik het al weet.