Hoe dierlijk is Bobbie?

Het is een beeld dat we overal om ons heen zien, zowel in de stad, op een bospad of het platteland: een man, soms een vrouw, met een hond aan de riem. Vaak loopt de hond voorop, trekt zijn baas achter zich aan. Bij een kruispunt roept de man iets tegen zijn hond, waarop het beest gewillig gehoorzaamt. Thomas Mann schreef over die geheimzinnige band tussen man en hond een novelle, Herr und Hund (1919). Elke dag maken zij min of meer dezelfde wandeling, de man praat tegen zijn hond, het beest zegt nooit iets terug en desondanks leeft de man in het besef dat zij wel degelijk een gesprek voeren.

Peter Handke wijdde in zijn dagboek Het gewicht van de wereld wat cynische bladzijden aan een hond: `Elke mooie vrouw wordt lelijk,' noteerde hij, `in gezelschap van een hond die zijn behoefte doet. Ze kijkt altijd de andere kant op, alsof de hond niet van haar is.' Wat zoekt de mens bij dit dier? Gezelschap, bescherming ook, een wezen om onophoudelijk tegenaan te praten; de hond op zijn beurt geeft trouw en dankbaarheid.

Kort achter elkaar verschenen enkele boeken waarin de hond een hoofdrol vervult: het eerste, kortweg De hond geheten, is van de hand van de Zweedse schrijfster Kerstin Ekman. Dit is geen gevoelvol `Herr und Hund'-verhaal, maar het harde, onsentimentele relaas van een jonge hond die in een bevroren wereld van sneeuw de winter probeert te overleven. De Amerikaan Paul Auster, auteur van The New York Trilogy, publiceerde na vijf jaar zwijgen Timbuktu, dat eerder in deze krant besproken werd. Hierin is de hoofdrol voor de hardop denkende hond Mr. Bones, sidekick van de dichter Willy Gurevitch Christmas in de straten van Brooklyn. Eerder al koos John Berger in A Street Story een viervoeter tot hoofdpersoon. En Jan Siebelink publiceerde onlangs Mijn leven met Tikker, over de veertien jaren die hij deelde met de stijlvolle hazewind Tikker. Kort na de dood van Tikker schreef hij dit relaas over de betekenisvolle band tussen een baas en zijn hond. Door deze hommage aan een hondenleven – in de eerlijke betekenis van het woord – komt Tikker naast misschien wel het bekendste hondje uit de Nederlandse literatuur te staan: Plume, het his master's voice-hondje uit de boeken van Charlotte Mutsaers.

`Een hond?' vraagt Siebelink zich af in de openingsalinea over Tikker. `Een hond was voor mij synoniem met angst.' Maar door de aanblik op een ochtend van een nest met puppies van een windhond raakt de naamloze ik-figuur uit het boek zo vertederd, dat hij besluit de mooiste pup te kopen. Tikker komt zijn leven binnen. Aanvankelijk is de eenzame man een liefhebber van katten, deze jonge hond verandert hem echter op slag. Hij citeert de Franse schrijver Henri de Montherlant om zich te verantwoorden voor zijn plots omgeslagen liefde: `Kinderen die met een hond spelen, op een strand, een zomerse ochtend: laten we niet verder zoeken, dat is toch voldoende om de wereld te rechtvaardigen.'

Het verlangen `om de wereld te rechtvaardigen' verklaart de intense band die de man met zijn hond opbouwt. Hij is er voor de hond, de hond is er voor hem. Tikker, een reu, heeft zelfs geen enkele belangstelling voor teefjes. Als er iets aan hondenerotiek gebeurt, speelt zich dat af tussen een jaspand of een broekspijp van de man en Tikker. Die openhartigheid van Siebelink is opmerkelijk en ook moedig. Hij acht de onverschilligheid van de hond voor soortgenoten sneu voor het beest. En dat terwijl een hond toch volop dierlijk zou moeten zijn. Maar dat is Tikker niet, dat is eigenlijk geen van de honden in de hondenboeken. Hoe dierlijk is Bobbie bijvoorbeeld uit Kuifje? Tikker is een levenspartner in de gestalte van een hond. Het is een belangeloze en onvoorwaardelijke liefde die Siebelink mooi schetst. Bij het doodgaan van Tikker vindt hij troost bij de gedachte: `Eén ontbreekt en de wereld is leeg.' De hond is het dierbaarste bezit; de trouw van de hond zijn grootste geschenk aan de mens.

In Frankrijk, schrijft Siebelink, ziet hij vaak honden de dorpsstraat heen en weer aflopen, verbeten zoekend naar iets, vastberaden de koers heen en de koers terug volgend – zij zoeken hun baas. Siebelink schreef over een hond met een baas, Ekman over een zonder baas. Tijdens een nachtelijke sneeuwstorm verdwijnt een pup in een onherbergzaam landschap. Hij ging zijn moeder achterna, maar verdwaalde. De baas en zijn echtgenote zoeken vergeefs.

Het wonder van deze korte roman is de beschrijving van een onwaarschijnlijke levensdrang. `De pup had onder zijn spar geslapen', schrijft Ekman. `Hij was stijf en had dorst toen hij te voorschijn kroop en erin slaagde zijn snuit uit de verse sneeuw omhoog te steken. (–) Hij zag de korhoenders in de berk, maar wist niet wat het waren en of ze gevaarlijk waren. Ze hadden leven.' Dat bezitten van `leven' tekent de instinctmatige kracht van het dier. Hij ontdekt, afgaande op beweging, wat dat leven en dus zijn eigen overlevingsdrang inhoudt. Ziet hij zwarte kraaien in de sneeuw hippen, dan gaat hij daar snuffelen en vindt het restant van een dood dier. Dit koude, bevroren vlees vormt lange tijd zijn maal, totdat het voorjaar aanbreekt. Uiteindelijk vindt hij een nieuwe baas in een elandenjager. De grijze hond ontwikkelt zich uiteindelijk tot een geduchte jachthond.

Ekman deelt met Siebelink de scherpe observatie van de natuur; elke verandering van lichtval op een boomtwijg, van de kleuring van de hemel, de schittering van een regendruppel aan een tak wordt geregisteerd. De schrijfster verplaatst zich met verrassend inlevingsvermogen in de hond. Haar boek heeft het temperament van een roofdier, en staat ver af van de gedomesticeerde Tikker, Plume of Bobbie. Ik moest herhaaldelijk denken aan Ekmans thrillerachtige roman Zwart water. Er schuilt een indringende genadeloosheid in haar boeken. Haar hond is geen aanhankelijk huisdier, haar personages zijn geen in beschutte huizen levende mensen. Zij zoekt het ontzagwekkende landschap op waarin slechts een wet heerst: die van de overlevingsdrift. Ekman maakt van een hond weer het wolfachtige wezen dat het beest in oorsprong is.

Tikker gaat dood, Ekmans grijze hond overleeft de dood: tweemaal speelt de dood een wezenlijke rol. Hierin schuilt de treffende metafoor om de band tussen hond en mens aan te duiden: zij horen bij elkaar, onverbrekelijk.

Kerstin Ekman: De hond. Roman. Uit het Zweeds vertaald door Elina van der Heijden en Wiveca Jongeneel. Bert Bakker, 92 blz. ƒ19,90

Jan Siebelink: Mijn leven met Tikker. J.M. Meulenhoff, 208 blz. ƒ34,90