HET LATE-MIDDENSCHOOLKLIMAAT

Ze gingen het onderwijs in omdat ze de wereld wilden veranderen en kozen bewust voor het experiment: de middenschool, hèt symbool van de maakbare samenleving van de jaren zeventig. In 1996 werd het inmiddels zieltogende experiment ingetrokken. Maar wat gebeurde er met de idealen van toen? ``Vroeger dacht ik: als iedereen ziet hoe goed het hier gaat, dan volgen ze dat voorbeeld vanzelf en wordt de samenleving beter. Die invloed van school heb ik overschat'', zegt Doeke Renema, leraar aardrijkskunde en geschiedenis op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer. ``Maar ik geloof nog steeds dat je als school een klimaat kunt scheppen waarin leerlingen respect hebben voor elkaar en goed samenwerken. Dat zit in de leerlingen zelf, je moet ze alleen de ruimte bieden. Dat is de maakbaarheid waarin ik nog steeds geloof.''

Doeke Renema en Loes van der Zande (Engels) kozen voor de Open Schoolgemeenschap Bijlmer (OSB), een nieuwe school in een nieuwe wereld waarin alles nog mogelijk was. De school werd opgericht in 1971 en haakte een paar jaar later aan bij het middenschoolexperiment zoals dat door toenmalig onderwijsminister Van Kemenade (PvdA) werd opgezet. De middenschool werd gekenmerkt door een driejarige `brugklas' waarin een mix van beroepsonderwijs, Mavo, Havo en VWO werd gegeven. Dan pas hoefden kinderen te kiezen. De gedachte achter deze late selectie was dat kinderen bewuster zouden kiezen en niet automatisch in de voetsporen van hun ouders zouden treden. Bovendien zouden al deze verschillende kinderen zo beter met elkaar leren omgaan. Allen dienden met hun hoofd èn hun handen te leren werken. Iedere experimentschool vulde het concept middenschool op zijn eigen manier in.

Het OSB moest een ontzuilde school worden, die gelijke kansen bood aan iedereen. Het werd een open schoolgemeenschap: één grote club leerlingen van alle niveaus, met verschillende afkomst en religie in één gebouw. Een open school waar de deuren in de klaslokalen ontbraken om die openheid kracht bij te zetten. Een school waar kinderen consequent positief werden benaderd. Cijfers werden niet gegeven en zittenblijven was onmogelijk. Leerlingen kregen een geschreven beoordeling als reflectie op de ontwikkeling die zij als mens doormaakten.

VEEL VRIJHEID

De OSB was ook een school die de leraren veel vrijheid bood. Iedereen maakte zijn eigen lesmateriaal. Renema: ``Als je het over ontdekkingsreizen had dan hield dat niet op bij Columbus, maar maakte je een ontdekkingsreis naar je eigen persoonlijkheid. Het was een prachtig vertrekpunt voor een onderzoekstocht naar dilemma's in eigen denken en doen.'' ``Klopt'', zegt collega Van der Zande, ``maar die vrijheid gaf docenten ook de gelegenheid hun eigen hobby's op de kinderen te botvieren. De kans bestond dat leerlingen na drie jaar nog niet alle basisstof hadden gehad.''

De schoolduur werd met een jaar verlengd en de lessen duurden niet vijftig minuten maar tachtig. Ze startten en eindigden met een kringgesprek. Nog net niet op kussens in kleermakerszit – ``we hebben ooit eens één leraar gehad die kussens in zijn klaslokaal had, maar de rest zat gewoon op stoelen'', aldus Van der Zande. Het ging er een beetje `soft' aan toe, vinden Renema en Van der Zande nu. ``Er werd ontzettend veel gepraat. Ik hou daar wel van, maar anderen werden er wel eens moe van'', vertelt Van der Zande. ``Iedere week werd er gepraat over het onderwijskundig beleid. We hadden afdelingsvergaderingen waarin álle leerlingen werden besproken. We hadden `conferenties' waarbij je met de hele school twee dagen over onderwijs praatte en doe-activiteiten had, zoals samen een maaltijd koken voor de hele club. Dat was teambuilding avant-la-lettre. Ja, dat soort dingen mis ik wel.''

Met de invoering van de basisvorming in 1993 zijn alle middenscholen opgeheven. De OSB bleef nog tot augustus 1996 onder de Experimentenwet, daarna viel ook voor deze school het doek. De verlengde schoolduur werd verboden, de lestijd werd aangepast tot 65 minuten om alle vakken van de basisvorming aan bod te laten komen en er kwamen boeken. Een aantal aspecten van de middenschool werden min of meer overgenomen in de basisvorming, zoals een tweejarige brugklas.

Hoe houd je je staande als datgene waar je jarenlang al je energie in hebt gestoken wordt afgeschaft? ``Afgeschaft is niet het goede woord'', vindt Van der Zande. ``Nog altijd beginnen de lessen met een kringgesprek. We hebben nog steeds vaste mentorgroepen en geven nog steeds geen cijfers. De middenschool was voor ons een middel om ons doel te verwezenlijken, en ook al bestaat dat middel niet meer, de idealen leven hier wel voort, maar op een andere schaal.'' Renema formuleert die idealen heel klein: ``Ik wil dat leerlingen van mij het gevoel krijgen dat ik ze zie. Dat het me opvalt als een leerling anders reageert. Ik wil een leefklimaat scheppen dat oké is, waarin je fouten kunt maken. Als ik iemand te veel heb afgekapt kom ik daar op terug en maak mijn excuses. Ik hoop dat leerlingen dat gedrag overnemen. Kijk, ik vind lesgeven gewoon heel leuk, en dat blijft. En de regels daaromheen, daaraan pas ik me wel aan.'' Maar betekent dit dat hij zijn idealen op iedere andere school zou kunnen verwezenlijken? Het blijft lang stil. ``Dat denk ik wel, ja'', antwoordt Renema tenslotte. Daarop trekt Van der Zande haar wenkbrauwen op. ``Dat denk ik niet. Zou jij cijfers kunnen geven? Lessen geven volgens een vaste methode? Geen kringgesprek meer?'' Renema knikt nadenkend. ``Ik denk dat je gelijk hebt. Als je hier zo lang werkt vergeet je hoe het er elders aan toe gaat.'' Van der Zande noemt zich principiëler: ``Voor mij is de heterogene onderbouw essentieel. Als een groep goed is samengesteld heb je geen groepsnorm. Kinderen moeten zich dan veel meer afvragen wie ze zijn en hoe ze zich moeten gedragen. Ze moeten hun eigen keuzes maken. Zo krijgen ze zelfvertrouwen. Dit ben ik en hier sta ik voor. Die basis wil ik ze meegeven in het leven. Net als respect voor elkaar.''Waren het vijfentwintig jaar gelden standsverschillen en de afstand tussen de verschillende geloven die overbrugd moesten worden, nu zijn het interculturele barrières die geslecht moeten worden. Renema: ``Wij dachten dat als wij iedereen bij elkaar zouden zetten en alles goed door elkaar husselden dat het één grote meltingpot zou zijn. We hebben inmiddels geleerd dat dat niet zo werkt.'' Van der Zande: ``Kinderen kómen nu eenmaal van een bepaalde achtergrond en je moet niet de illusie hebben dat te kunnen veranderen. We zien dat leerlingen met dezelfde achtergrond elkaar opzoeken. Ik besef nu dat dat prima is, zolang ze in de klas en daarbuiten maar aardig zijn voor elkaar en elkaar accepteren. Wij moeten andersom accepteren dat niet iedereen vriendjes en vriendinnetjes wordt alleen omdat je ze bij elkaar zet.''