Geen vrijkaartje voor de hemel

Michail Gorbatsjov won in 1990 de Nobelprijs voor de Vrede, maar wie onlangs zijn vergoelijking van de Servische barbarij in Kosovo hoorde, kon maar één ding denken: inleveren die prijs!

De Nobelprijs voor de Vrede is de hoogste politieke eer in de wereld, maar nog geen vrijkaartje voor de hemel, zeiden critici jaren geleden al. Daarvoor is de prijs te paradoxaal, en het beroep van vredestichter te abstract. De Vrede is geen vak dat mensen kunnen leren, zoals bij andere Nobelprijzen. Sterker: De Vrede bestaat helemaal niet. Al heel lang niet. Hoe weinig deze prijs sinds 1901 heeft bijgedragen aan de vrede, blijkt uit één feit: deze eeuw is de bloedigste tot nu toe; en niet alleen door twee wereldoorlogen of lieden als Stalin, Hitler en Pol Pot.

Op dit moment woeden wereldwijd zo'n veertig regionale conflicten. De wereld is na de Koude Oorlog geconfronteerd met een hausse aan brandhaarden, vaak als gevolg van vergruizeling van staten. De chaotische wereldorde van nu – zonder communisme, kolonialisme en hun tegenbewegingen als bindmiddel voor hele regio's – heeft nog geen antwoord op deze versplintering. Regeringschefs hebben door de hoge omloopsnelheid van crises nauwelijks tijd om op adem te komen en lessen te leren – of blijken die een volgende keer alweer vergeten of niet te kunnen toepassen.

Zelfs in het moderne Europa zijn de afgelopen tien jaar burgers massaal afgeslacht, soms met duizenden tegelijk. Eerst in Bosnië, daarna in Kosovo. Alle Westerse machthebbers die jarenlang op topontmoetingen verdragen en verklaringen hadden volgeschreven over een vrij, verenigd en multi-etnisch Europa, stonden beide keren aan de grond genageld toen de terreur van één dictatortje in Belgrado efficiënter bleek te werken dan hun democratie. Vermoedelijk niemand van de huidige lichting wereldleiders, van Clinton tot Jeltsin, krijgt ooit de Nobelprijs voor de Vrede: geen van hen ontpopt zich als groot ziener of toont uitzonderlijke moed, gevangen als zij zitten in het keurslijf van internationale consensusbesluitvorming en verlamd als ze zijn door nationale belangen en opiniepeilingen. Dit is een tijdperk zonder leiders met een langetermijnvisie op de wereld en met durf om risico's te nemen voor de internationale vrede.

De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, zei in 1997 tegen deze krant dat hij zich afvroeg hoe de naoorlogse generatie leiders samen de VN, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Marshall-plan lanceerden – allemaal langetermijnvisies zonder dat daarvoor direct middelen beschikbaar waren. Annan: ,,Onze generatie wil voor alles wat wij doen onmiddellijke goedkeuring. En als we geen middelen hebben, zijn ze zo goed als klaar om in te pakken en te vertrekken. Dit verlangen naar onmiddellijke en snelle resulaten is een onderdeel van onze huidige problemen.'' De verklaring lijkt eenvoudig: destijds was Europa geruïneerd en de dreiging concreet, nu is Europa welvarend en de dreiging onduidelijk. Hoe verder de brandhaarden van huis liggen, hoe onduidelijker die dreiging. Wie vrede wil, bereidt zich voor op oorlog, ja. Maar als het aan de leiders van nu ligt, graag zonder grondtroepen en hoog en droog vanuit de lucht.

Gorbatsjov was in 1990 de laatste wereldleider die deze Nobelprijs won. De laureaten na hem zijn allen regionale leiders of niet-politici. Vergelijk dat eens met de winnaars uit de eerste helft van deze eeuw: onder hen zitten veel Amerikaanse en andere Westerse regeringsleiders. Inmiddels is het alweer 26 jaar geleden dat een Westerse leider, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger, de prijs won.

Maar dan nog: geen enkele winnaar heeft vrede bereikt. Hoogstens een stap in de goede richting gezet. Voor een grondige beoordeling daarvan is het meestal nog jaren te vroeg. Veel toekenningen zijn dan ook voorbarig. Kijk naar recente winnaars: noch Rabin, Peres en Arafat in het Midden-Oosten, noch De Klerk en Mandela in Zuid-Afrika, noch Hume en Trimble in Noord-Ierland hebben bestendige vrede en stabiliteit tot stand gebracht. Ze hebben een bijdrage geleverd, maar in al deze gevallen moet het echte werk nog beginnen en de duurzaamheid nog worden bewezen.

Het Nobelcomité heeft door de jaren heen felle kritiek gekregen dat sommigen de prijs ten onrechte wel of niet hebben gewonnen. Net als andere jury's vallen ook de vijf Noren van het comité, voor zes jaar benoemd door het Noorse parlement, ten prooi aan subjectiviteit. De toekenning aan Kissinger en de Noord-Vietnamese communistenleider Le Duc Tho voor het vredesakkoord in Vietnam, en die aan Begin en Sadat wegens hun Camp David-akkoord stuitten in 1973 en 1978 op internationale hoon omdat zij de prijzen volgens velen te vroeg kregen. Bekende miskleunen zijn voorts de niet-toekenningen aan de Indiase pacifistische leider Mahatma Ghandi en de Europese integratie-pionier Jean Monnet.

De Nobelprijs vraagt met sommige winnaars ook aandacht voor minder bekende conflicten. Aung San Suu Kyi uit Birma (1991) en bisschop Carlos Belo en José Ramos-Horta (1996) uit Oost-Timor zijn daar voorbeelden van. De waarde van de Nobelprijs (bijna twee miljoen gulden) zit nog het meest in het signaleren van zulke minder in het oog springende kandidaten. Voor hen is de vredesprijs een aanmoediging om door te gaan met hun strijd, ook al heeft dat geen directe invloed op de wereldvrede, en zelfs niet op de stabiliteit in hun eigen land.

Zo blijft deze Nobelprijs een even prestigieuze als vrijblijvende graadmeter: wie heeft dit jaar zijn nek uitgestoken voor de zaak van leven en dood? Artsen zonder Grenzen kregen de vredesprijs voor 1999. Zij zijn de puinruimers van onze wereldwanorde. Niet-regeringsorganisaties hebben soms meer lef dan regeringen: verplegers wagen zich tegenwoordig eerder in brandhaarden dan soldaten. Zij trekken zich minder aan van nationale belangen, grenzen en soevereiniteit om slachtoffers van geweld te helpen. Ze doen zo een aanval op de klassieke diplomatie en vervullen af en toe een grotere gewetensfunctie dan machthebbers. Er zijn dus toch nog helden.