Frankensteinvoedsel

Kun je ziek worden van genetisch gemodificeerde voedingsproducten (GG-voedsel)? De kranten staan er bol van. Absurde beweringen over Frankensteinvoedsel staan naast bijna even absurde beweringen dat genetische modificatie van planten nimmer problemen kan geven voor de consument. Nu de atoombommen redelijk veilig zijn opgeborgen en de kerncentrales wachten op de VUT, althans in Nederland, lijkt alle vrij vlotterende emotie zich te richten op de genetische modificatie van voedsel. Dit is echter niet een kwestie van emotie, van het hart op de juiste plaats en respect voor de ongerepte natuur, maar van goede proeven en kennis van de onderliggende biochemie en immunologie. Hier geef ik een korte samenvatting van de stand van zaken, waarbij ik mij beperk tot de risico's voor de consument. Dat is toch wat mensen het meest interesseert. Kun je er iets van krijgen? Meer informatie is te vinden in het novembernummer (1999) van het Bulletin van de Consumer Biotechnology Foundation en in Science van 26 november.

In deze kwestie ben ik geen belanghebbende. Ik werk wel met DNA, maar ik heb nooit iets van doen gehad met genetische modificatie van planten. Zoals zoveel onderzoekers die aan genetische modificatie van proefdieren werken, heb ik zelfs de neiging om kritisch te staan tegenover modificatie van planten. De verschillen tussen plant en proefdiermodificatie zijn groot. GG-planten zijn om te eten, GG-muizen niet. De genetische modificatie van proefdieren en bacteriën is essentieel voor biomedisch onderzoek of productie van nieuwe geneesmiddelen, plantenmodificatie is bedoeld voor verbetering van voedsel of voedselproductie. Belangrijk voor ontwikkelingslanden, maar niet echt essentieel in Nederland op dit moment. Het is dan vervelend als het hele gebied van de genetische modificatie via de plantenmodificatie een slechte naam zou krijgen.

Hoe zou je door sojabonen met één of twee extra genen ziek kunnen worden? Niet door het DNA van die genen, zoals wel eens gedacht wordt. Elke plantencel zit vol DNA, al gauw zo'n honderdduizend genen en één gen meer maakt niets uit. Al dat DNA wordt in de darm afgebroken en die genen hebben geen mogelijkheid om onze celkernen te bereiken. De roep om `DNA-vrij' voedsel is dus onzinnig.

Genen coderen echter voor eiwitten en een extra gen in de sojaboon zorgt ervoor dat de GG-boon een eiwit bevat dat ontbreekt in de ongemodificeerde boon. Dat eiwit zou giftig kunnen zijn of een overgevoeligheidsreactie kunnen opwekken bij de argeloze soja-eter. Of eiwitten giftig zijn is makkelijk te voorspellen en te testen. Geen voedselproducent die goed snik is maakt sojabonen met toxinen die giftig zijn voor de mens. Het echte risico is daarom niet de inbouw van toxinegenen in soja, maar de mogelijkheid dat het extra gen in de soja codeert voor een eiwit dat overgevoeligheidsreacties geeft, een allergeen. Dat is geen theoretisch horrorscenario, zoals de volgende Braziliaanse noot-anekdote laat zien.

Zoogdieren zoals wijzelf bouwen hun eiwitten op uit 20 aminozuren. Een deel daarvan kunnen wij niet zelf maken en die moeten we dus met ons voedsel opnemen. Plantaardige eiwitten zijn vaak arm aan één of meer van die essentiële aminozuren. Tarwe bevat weinig lysine, sojabonen zijn relatief arm in zwavelhoudende aminozuren. Strikte vegetariërs vermijden een tekort aan deze aminozuren door een gevarieerd plantaardig dieet te eten.

Varkens en pluimvee worden echter vaak eenzijdig gevoed en daarom bedacht producent Pioneer Hi-Bred een list: hij isoleerde een gen voor een eiwit dat rijk is aan zwavelhoudende aminozuren uit een Braziliaanse noot en voegde dit gen toe aan het genoom van de sojaboon. Zo werd de eiwitsamenstelling van de sojaboon volwaardiger en zou iedereen gezonder en gelukkiger worden.

Toen dit project eenmaal goed op gang was, bedacht een goochemerd echter dat mensen wel eens overgevoelig worden voor Braziliaanse noten. Welke component in de noot verantwoordelijk was voor die overgevoeligheid, was nooit uitgezocht en Pioneer Hi-Bred legde die vraag daarom voor aan een universitaire partner met verstand van voedselallergie.

Wat bleek? Juist het eiwit dat de plantenveredelaars uit de Braziliaanse noot hadden geselecteerd was verantwoordelijk voor de voedselallergie die deze noot veroorzaakt. Van de 9 mensen met notenallergie bleken er 8 ook antistoffen te hebben die reageerden met de genetisch gemodificeerde sojaboon (Nordlee et al., New England Journal of Medicine, 1996; 334: 688-692). Weliswaar was deze genetisch opgetuigde boon bedoeld als veevoeder, maar omdat vermenging met bonen voor menselijke consumptie niet kon worden uitgesloten, heeft Pioneer Hi-Bred dit noot-boonproject stopgezet. De moraal is duidelijk: het is mogelijk om door genetische modificatie producten te maken die schadelijk zijn voor de consument. Veredeling kan wel eens tot Verelendung leiden. Er is dus alle reden voor toezicht op GG-voedsel.

Moeilijk is dat toezicht niet. Er is veel bekend over de voedseleiwitten die allergische reacties geven. Dat zijn namelijk eiwitten die slecht worden afgebroken in onze darm. Onvolledige afbraak kan leiden tot opname van grote eiwitbrokstukken in ons lichaam en die brokken kunnen als vreemde indringer worden herkend door ons afweerapparaat en dan leiden tot een afweerreactie en allergie. Slechte afbraak van een eiwit in onze darm is makkelijk te bepalen en zelfs ook al vrij goed te voorspellen. Die eiwitten kunnen goed tegen maagzuur en zijn zo compact gevouwen dat de eiwitsplitsende enzymen er slecht greep op kunnen krijgen. Een goede biochemicus kan dat vaak al aan de structuur van een eiwit zien. Eiwitten met veel zwavelhoudende aminozuren bijvoorbeeld zijn meestal heel compact. Dat het met die Braziliaanse noot is misgegaan, is daarom niet verbazingwekkend.

Er valt dus een rationeel pakket van eisen op te stellen waaraan GG-voedsel moet voldoen. De ingebrachte genen moeten niet coderen voor toxines of allergenen en de producent moet bewijzen dat dit goed getest is en dat zijn product veilig is. Dat is waar de Amerikaanse regelgeving en controle op neerkomen en het zou niet moeilijk moeten zijn om dit ook in Europa goed te regelen. Veel Europese landen hebben ook al goede regels en toetsingsprocedures voor GG-voedsel, alleen de pan-Europese regelgeving loopt, als gewoonlijk, ver achter. Logisch is ook dat genetisch gemodificeerde voedingsproducten als zodanig worden geëtiketteerd, zeker in de beginperiode, als de ervaring met zulke nieuwe producten nog beperkt is.

En die arme ratten dan, die ziek werden van de GG-aardappelen? Het waren die zieke ratten, die in Engeland leidden tot de furore over Frankensteinvoedsel. Dat er niet veel deugde van die aardappelproeven was al eerder betoogd door de Britse Royal Society en iedereen kan dit nu zelf controleren, want deze dubieuze wetenschap is nu eindelijk gepubliceerd in het medisch tijdschrift The Lancet van 25 oktober 1999. In een sober en informatief commentaar in diezelfde Lancet leggen Kuiper, Noteborn en Peijnenburg van het RIKILT (Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwproducten) in Wageningen uit waarom er geen conclusies getrokken kunnen worden uit die rattenproeven en wat er eigenlijk nodig is om de veiligheid van GG-voedsel goed te testen.

Vergiftigingswanen komen veel voor en het is niet moeilijk om mensen op de kast te jagen met gruwelverhalen over gemanipuleerd voedsel. Er gebeuren ook gekke dingen. Wie had kunnen denken dat godvruchtige boeren hun vee zouden bijvoeren met vermalen kadavers van zieke beesten, of hormonen zouden spuiten die niet eens in de bijbel voorkomen? Het is echter niet redelijk om die argwaan nu alleen te richten op GG-voedsel.

Het voordeel van GG-voedsel is juist dat de aangebrachte veranderingen zo overzichtelijk zijn. Bij voedselverbetering door klassieke kruisingen van gewassoorten kunnen duizenden genen in hun werking worden beïnvloed. Wat je dan op je bord krijgt valt niet te voorspellen en moeilijk te controleren, maar daar is nog nooit opwinding over ontstaan. Dat is andere koek dan een sojaboon met één extra gen, waarvan de werking bekend is en het genproduct onderzocht is op toxische of allergene werking.

Mensen slikken ook de meest wonderlijke kruidenmengsels, waarvan het nuttig effect twijfelachtig is en de kwaliteitscontrole deficiënt, maar die wel dramatische neveneffecten kunnen hebben, waaronder allergische reacties. Zolang iets maar wordt aangeprezen als puur natuur, liefst met een Oosters tintje, verdampt de angst voor vergiftiging, ondanks het feit dat de natuur de meest inventieve en effectieve gifproducent is die wij kennen. Chemici leren daar nog dagelijks van. Vandaar dat ik meer vertrouwen heb in gen-soja dan in ginseng, mits die gen-soja met deugdelijke wetenschappelijke methoden op veiligheid is getest.