E.J. Dijksterhuis: De mechanisering van het wereldbeeld

`Dat is meer iets voor jou', zei mijn vader vijftig jaar geleden en hij legde een boek voor mij neer dat nog lang het dikste boek in mijn boekenkast is gebleven. Rudy Kousbroek heeft bij de verschijning van Gödel Escher Bach verzucht hoe heerlijk het moet zijn voor een kind om op zijn vijftiende jaar zo'n rijk boek als dat van Douglas Hofstadter in handen te krijgen. Dat geluk overkwam mij met het boek van Eduard Jan Dijksterhuis (1892-1965), waarin ik over het moeizame ontstaan van de wetenschappelijke visie op de levenloze wereld las, net in de jaren dat de verwaterde versie van die wetenschap mij op de middelbare school werd aangeleerd in de uurtjes tussen het lezen van Homerus en Couperus en het ontdekken van meisjes en integralen. Ik deed er meer dan een jaar over het boek te lezen en ik begreep lang niet alles. De stijl van Dijksterhuis is kraakhelder, maar hij citeert rustig in alle vreemde talen en denkt dat je weet wie hij bedoelt als hij het over de Stagiriet heeft.

In vijfhonderd pagina's wordt de ontwikkeling van de exacte wetenschap tot en met Newton nauwkeurig uiteengezet. Dijksterhuis neemt een lange aanloop. De Griekse opvattingen worden in honderd pagina's besproken. Die hebben de huidige opvattingen niet voorbereid en zelfs gehinderd, maar de Grieken zijn de eersten van wie wij weten dat ze over de beweging van planeten en atomen, over meetkunde en mechanica, nadachten. In een zeldzame sociologische passage meldt hij wel de opvatting dat het de slavernij was die de ontwikkeling van de Griekse wetenschap voor een praktisch nut belette, maar hij voegt daar aan toe dat het ook, omgekeerd, het gebrek aan techniek zou kunnen zijn die de slavernij bij de Grieken liet voortbestaan. De lezer begrijpt: sociologische beschouwingen zullen wij niet veel meer horen. Theologische wel, omdat die nu eenmaal direct met de wetenschappelijke samenhangen.

Wat het boek van Dijksterhuis onderscheidt van de tweehonderd andere boeken over hetzelfde onderwerp is dat hij al die oude wetenschappers in hun oorspronkelijke bewoordingen las. Dus Euclides en Archimedes in het Grieks (over die twee schreef hij al in 1929 en 1938, vóór zijn hoofdwerk), maar ook: Beeckman en Stevin in het Nederlands, Galileï en Torricelli in het Italiaans, Huygens en Pascal in het Frans, Copernicus en Kepler in het Latijn. Altijd wijst hij scherp aan hoe die lui zich vergisten en tegelijk hoe zij toch de wetenschap vooruithielpen.

Aan de Middeleeuwen besteedt Dijksterhuis honderdvijftig pagina's. Na een uitvoerig eerbetoon aan de Arabieren die de Griekse erfenis tijdens de antiwetenschappelijke eerste eeuwen van het christendom bewaarden, passeren diverse middeleeuwers de revue, ook met hun gedachten over magie en astrologie, die nu eenmaal van de Grieken tot en met Newton onderdeel uitmaakten van de exacte wetenschap. Een zin die ik uit het hoofd ken en nogal eens op college voorgedragen heb, luidt: `Niets is gemakkelijker, niets goedkoper dan een bloemlezing samen te stellen van naïeve denkbeelden, foutieve beweringen en onhoudbare beschouwingswijzen en zodoende de eerbiedwaardige auteurs over te leveren aan de hilariteit van een door gemis aan historische scholing laatdunkend geworden nageslacht'. Helaas was ik vergeten over welke middeleeuwers dit gezegd werd (het waren de Spanjaard Isidorus en de Engelsman Buda). Echte kritiek heeft Dijksterhuis alleen op andere wetenschapshistorici. Die worden meestal eenvoudig met `men' aangeduid, maar bijvoorbeeld Pierre Duhem, die aan het begin van deze eeuw schreef, komt ook direct onder vuur te liggen.

Dat Dijksterhuis katholiek was, is alleen maar een voordeel. Nicolaas van Oresme had in de veertiende eeuw niet alleen de grafiek uitgevonden om functies beter te begrijpen, maar ook duidelijk gezegd dat het de aarde is die draait en niet de zon. Dijksterhuis wijst op een verrassende opmerking van Oresme: `dat de leer der aardbeweging ook belangrijk is omdat ze argumenten aan de hand doet ter bestrijding van aanvallen op het geloof: zij strijdt namelijk schijnbaar evenzeer tegen de natuurlijke rede als de geloofsartikelen; wanneer zij nu toch waar blijkt te zijn, kan schijnbare ongerijmdheid ook niet meer tegen het geloof worden uitgespeeld!' Hadden de verbranders van Bruno en de rechters over Galileï dit maar beseft.

Tien jaar nadat ik zijn boek had gekregen ging ik college bij Dijksterhuis lopen. Zijn biograaf Klaas van Berkel noemt die colleges saai. Misschien vonden de wegblijvende studenten dat. Maar wij viertjes, op eigen kosten uit Amsterdam, Leiden en Nijmegen naar Utrecht gereisd, dachten daar anders over. Dijksterhuis sprak uit het hoofd, maar het was duidelijk dat hij zijn hele college had opgeschreven en uit het hoofd voorlas. Soms herkenden wij een zin uit De Mechanisering zoals een keer bleek toen hij begon: `Er is natuurlijk niets tegen om van de golftheorie van Huygens te spreken, mits men slechts onder golf algemeen de voortplanting van...', en toen murmelden wij het vervolg van de zin mee: `...een evenwichtsverstoring en niet speciaal die van een trilling verstaat en in verband daarmee iedere gedachte aan periodiciteit verre houdt'. Heerlijk was dat.

Ik heb expres een paar zinnen uit het boek geciteerd om de stijl van Dijksterhuis te tonen. Dat is een ouderwetse, degelijke, maar heldere en onversierde langezinnen-stijl. In 1950 was zo'n stijl ook al ouderwets. Het is een statige, klassieke stijl die altijd leesbaar zal blijven, terwijl de excessief overspannen stijlen van Huizinga en Presser, de twee andere grote Nederlandse historici van deze eeuw, eigenlijk in de 21ste eeuw al de lezing van hun belangrijke boeken, over de late middeleeuwen en over de moord op de joden, bijna onmogelijk maakt.

Is de inhoud verouderd? Natuurlijk zijn er de laatste vijftig jaar nieuwe vondsten en uitleggingen gekomen. Dijksterhuis zelf had zijn inzichten over Oresme gehaald uit kort tevoren verschenen studies van Anneliese Maier, die ook Die Mechanisierung des Weltbildes al als titel had gebruikt, en zo is er natuurlijk meer nieuws verschenen. Maar mijn indruk is dat die vondsten van de laatste eeuwhelft vooral tonen hoe geleerden uit vroeger eeuwen vaak slordiger, zelfs oneerlijker, waren dan wij dachten. Veel schitterende, en ware, theorieën blijken gebaseerd op onjuiste waarnemingen en redeneringen. Behalve zulke nieuwe details zijn er natuurlijk ook volkomen andere opvattingen gekomen over de ontwikkeling van de wetenschap. Maar ik denk dat de namen van Popper, Kuhn, Lakatos, Feyerabend en andere theoretici over theorieën, al lang vergeten zullen zijn als het boek van Dijksterhuis nog steeds gelezen wordt in een van zijn vertalingen.

Wat het boek tot een eenheid maakt is, dat wij lezers pas aan het eind begrijpen wat Dijksterhuis onder mechanisering verstaat: de mathematische beschrijving zoals die in de mechanica het eerst zo succesvol is toegepast.

Het zal nog lang duren voor een soortgelijk boek over de ontwikkeling van de wetenschap van de levende wereld kan worden geschreven. We horen dagelijks over genen, hersenen, hormonen en klonen, maar wie Dijksterhuis heeft gelezen, beseft dat wij hoogstens in het verwarrende tijdperk van Pascal en Descartes zijn en dat we op de biologische Newton wachten, waarna wij pas op De mechanisering van het levensbeeld mogen hopen.

E.J. Dijksterhuis, De meachanisering van het wereldbeeld , eerste druk J.M. Meulenhoff, Amsterdam 1950. Achtste druk, 1998, ƒ49,90