Een gezindheid zonder grijstinten

De Anti-Revolutionaire Partij, die in 1980 opging in het CDA, heeft in de eeuw van haar bestaan altijd een markant politiek profiel gehad. Dat was te danken aan sterke, tot de verbeelding sprekende politieke leiders als Abraham Kuyper, Hendrik Colijn en, de eerste tien jaren na de oorlog, Jan Schouten. Ze werden door de antirevolutionaire aanhang op handen gedragen. De partij was bovendien door de jaren heen het toneel van levendig debat over de vraag wat christelijke politiek was, waarbij de broeders ook elkaar niet spaarden. De Savornin Lohman hekelde al in 1878, een jaar voor de vorming van de ARP, de toon van de polemieken van Abraham Kuyper. Hij schreef hem: `Zelfs Mr. Groen van Prinsterer was dikwijls te sarcastisch, en het heeft hem later wel leed gedaan, maar hij was toch tegen geestverwanten niet zóó bitter, als gij.'

Die gedrevenheid van Abraham Kuyper is het debat in de partij altijd eigen gebleven. Er was recht en onrecht, er was wit en zwart, grijstinten bestonden niet. Bij de viering van het centennium van de ARP in 1979 zei Kamervoorzitter Vondeling: `Uw grootste voorman Kuyper beet het wankelmoedige Ministerie-Heemskerk eens toe: ``Geef ons een kloek ja of neen, maar scheep ons niet af met een nietszeggende phrase.' De ARP stond voor helderheid en ook voor duidelijke contrasten, niet alleen in de relatie tot andere politieke partijen, maar ook in eigen gelederen.

In zijn proefschrift Deining, Koers en karakter van de ARP ter discussie, 1956-1970, beschrijft Jan-Jaap van den Berg een van de roerigste periodes uit de geschiedenis van de partij. Na de Tweede Wereldoorlog werd de partij aanvankelijk gedomineerd door wat Van den Berg omschrijft als `de traditionele richting'. Die traditionele antirevolutionairen bouwden voort op Kuyperiaanse begrippen als soevereiniteit in eigen kring en legden de nadruk op een beperkte rol van de overheid. Van deelname aan een regering met de Partij van de Arbeid, die een veel actievere en prominentere rol voor de overheid bepleitte, wilde de ARP niets weten. In de jaren vijftig kwam een meer pragmatische stroming op, die vond dat de veranderde sociaal-economische en politieke omstandigheden een actiever optreden van de overheid rechtvaardigden. Jelle Zijlstra, die in 1952 tot het kabinet toetrad als minister van Economische Zaken, was de prominentste verpersoonlijking van deze richting. In de jaren zestig ontstond onder jongeren een derde stroming: de evangelisch-radicalen, die een herformulering van de antirevolutionaire beginselen beoogden, tot een maatschappijhervormende ideologie.

Van den Berg beschrijft, mede op basis van de persoonlijke archieven van vooraanstaande antirevolutionairen, hoe het krachtenspel tussen deze drie stromingen verliep. Dat levert een boeiend relaas op, maar wekt ook gevoelens van heimwee. Het politieke debat gíng toen ergens over, namelijk over de vraag hoe de bijbelse boodschap moest doorwerken in het publieke leven.

Na het vertrek van Schouten als partijleider kreeg de ARP in 1956 een tweehoofdige leiding: Bruins Slot werd fractieleider in de Tweede Kamer en Berghuis partijvoorzitter. Beiden golden aanvankelijk als vertegenwoordigers van de traditionele richting, maar na verloop van tijd kwamen zij tot een abrupte, radicale politieke koerswijziging. Het meest concrete breukpunt was de kwestie Nieuw Guinea. Toen Indonesië zelfstandig probeerde te worden, stelden de antirevolutionairen zich nog op het standpunt dat Nederland het wettige gezag vertegenwoordigde. Nadat in 1961 duidelijk werd dat Soekarno ook Nieuw Guinea bij Indonesië wilde voegen en dat Amerika en Australië niet van plan waren de Nederlandse rechten te verdedigen, ging de partijleiding om. Dat leidde tot fel verzet van de traditionele stroming; de verontrusten begonnen openlijk te rebelleren tegen de nieuwe koers, wat er toe leidde dat Bruins Slot zich terugtrok als fractieleider.

In dezelfde tijd begon de antirevolutionaire denktank op het Kuyperhuis, het Haagse hoofdkwartier van de ARP, onder invloed van allerlei ontwikkelingen – de secularisatie, de Europese samenwerking, de kernwapenproblematiek, het groeiend besef van de noodzaak van ontwikkelingshulp – aan een nieuwe doordenking van de traditionele antirevolutionaire beginselen. Mensen als Goudzwaard, Prins en Hoogendijk, doorkneed in de protestantse filosofie van de Wijsbegeerte der Wetsidee, werkten aan meer eigentijdse formuleringen en gingen opnieuw op zoek naar de essentialia van christelijke politiek, met begrippen als `publieke gerechtigheid' en `rentmeesterschap'. De traditionele visie dat de overheid slechts een beperkte taak heeft in de samenleving werd daarbij steeds nadrukkelijker ter discussie gesteld. Die nieuwe benadering sloot inhoudelijk aan bij de vakbondsvleugel in de ARP. Die had altijd al weinig op gehad met het gedachtegoed van de Wijsbegeerte der Wetsidee. Ook hoogleraren van de Vrije Universiteit als de Gaay Fortman en Van Zuthem ijverden voor een vernieuwing van de politieke koers.

De partij raakte daarna diep verdeeld. Toch bleef de onderlinge betrokkenheid zo groot dat de tegenstellingen niet leidden tot een scheuring, mede doordat er ook thema's waren waarover links en rechts het hartgrondig eens waren, zoals de kwestie van het omroepbestel. Dankzij de liberale pleidooien voor commerciële televisie, kon de ARP weer een opening naar links maken, omdat ook de Partij van de Arbeid daar een verklaard tegenstander van was. Met opmerkelijke eensgezindheid ging de partij akkoord met deelname aan het rooms-rode kabinet Cals.

Van den Berg tekent de ontwikkelingen zorgvuldig, gedocumenteerd en met aandacht voor persoonlijke details. De grote vraag die oprijst uit het boek en waarop het geen antwoord geeft is: waarom waren de debatten in de ARP zo fel en de conflicten tussen de verschillende groeperingen in de partij zo hevig? Wellicht vindt dat zijn oorzaak in het feit dat antirevolutionairen, meer dan katholieken of christelijk-historischen, een `woord voor de wereld' hadden. De bijbelse boodschap, de absolute bron en de norm van hun handelen, had niet alleen betrekking op het persoonlijk heil van het individu, maar diende ook consequenties te hebben voor de inrichting van de maatschappij. Al in 1871 schreef Abraham Kuyper dat hij waardering had voor allerlei charitatieve activiteiten, maar hij voegde daaraan in één adem toe dat `het redden van de enkele nog iets anders is, dan een aanvatten met heilige bezieling des geloofs van het maatschappelijke vraagstuk zelf'. Vanuit de bijbel oefende hij `architectonische', structurele, kritiek uit op het functioneren van de samenleving.

Wie de latere ontwikkeling van de ARP bekijkt, kan alleen maar tot de conclusie komen dat uiteindelijk de pragmatici de strijd in de partij gewonnen hebben. De traditionelen hebben inmiddels hun heil gevonden bij RPF en GPV of hebben zich aangepast. De evangelisch-radicalen (Scholten, De Gaay Fortman jr.) zijn vertrokken naar de PvdA of GroenLinks of hebben zich evenzeer neergelegd bij het thans vigerende pragmatisme. In 1980 is de partij het CDA binnengeloodst, waar van het antirevolutionaire profiel weinig is overgebleven.

Terecht typeert Van den Berg Jelle Zijlstra en Barend Biesheuvel als prominente vertegenwoordigers van de pragmatische richting. Zijlstra zag de ARP al vroeg niet zozeer als de plaats waar christelijke politiek werd gemaakt, maar eerder als een partij van christenen. ``Het is niet zo, dat overal en altijd voortdurend iets belangrijks aan de orde behoeft te zijn voor de christelijke politiek. Zij zal haar aangrijpingspunt moeten vinden in de samenleving als geheel en op hoofdpunten daarvan. Misschien is er ook wel eens `windstilte' in die zin, dat er niet duidelijke aanknopingspunten zijn voor een wel te onderscheiden christelijke politiek', zei hij in 1963. Het CDA is de ultieme vertaling van deze benadering en onwillekeurig dringt zich na lezing van Van den Bergs boek de vraag weer op, of de politiek nu niet interessanter was geweest als de ARP niet in het CDA was opgegaan.

Jan-Jaap van den Berg: Deining, Koers en karakter van de ARP ter discussie, 1956-1970.

Kok Kampen, 492 blz. ƒ75,–