Drie Henken

Tussen vele andere decemberkaarten ligt hij in mijn bus: een ansicht van een besneeuwde fiets. Aan de achterkant: `Prettige dagen en de beste wensen voor 2000'. Daaronder: 'Henk'. Welke Henk? Henk wie? Ik ken twee Henken. Nee, drie. Onlangs heb ik op een vippenfeestje nóg een Henk ontmoet met wie ik zeer geamuseerd heb staan praten.

Welke Henk zou het zijn? De broer van mijn vriendin Ellen? Uitgesloten. Als ik die twee keer in mijn leven gezien heb, is het veel. Mijn buurman dan? Die woont hier al net zo lang als ik. Waarom zou die het ineens in zijn hoofd halen om mij dit jaar een kaart te sturen?

Zou het toch die feest-Henk zijn? Dan wordt het gênant, want die man is getrouwd en heeft al volwassen kinderen. Tuurlijk, we hadden enorme lol samen, maar verder niks.

Er zijn mensen die niet wakker liggen van een onbekende afzender. Ik word er nerveus van. Dus onderzocht ik het poststempel: Amsterdam. Mijn Henken wonen alledrie in Amsterdam. Stom, om je achternaam er niet bij te zetten. Erg intelligent kan hij niet zijn. Dus toch de broer van Ellen? Van feest-Henk kan ik niet zeggen dat hij dom is. Stel dat hij expres zijn achternaam heeft weggelaten? Zo van: jij en ik weten wel dat ik jou erg leuk vond, maar als gelukkig getrouwde man, kan ik natuurlijk niet... enz. Ach, onzin. Zo voelde het helemaal niet op dat feestje.

De keuze van de kaart getuigt van persoonlijke smaak. Weer valt de broer van Ellen af. Ik ga naar mijn buurman en vraag of hij misschien... Hij lacht mij vierkant uit. Dan bel ik Ellen. Haar broer zit al een half jaar in Amerika. Tenslotte besluit ik om feest-Henk een briefje te sturen. Ik leg uit dat ik als zenuwpees niet meer normaal kan functioneren wanneer mijn vraag niet opgelost is. Na een week krijg ik een geestige brief terug, waarin hij mij aanspoort het zoeken te staken, want dat het juist aangenaam is dat niet alle raadselen des levens worden opgelost.

Vlak voor kerst belt de ex van mijn nicht op. `Hoi, Monica, met Henk. Mijn koor zingt in de nachtmis en heb jij misschien zin om...' `Henk wie?' denk ik. Dan gaat mij een licht op. Ruw onderbreek ik hem. `Heb jij mij een kerstkaart gestuurd?' `Ja.' `Van een fiets in de sneeuw?' `Ja.' Toen sloeg ik op tilt. Of hij niet wist hoeveel Henken er in Nederland rondliepen? Dat die kaart mij weken uit de slaap gehouden had. Dat hij mij nog nooit een kaart gestuurd had dus waarom nu ineens wél? Zijn stem klonk beteuterd. Hij was dit jaar met vervroegd pensioen gegaan en verveelde zich. Daarom had hij bedacht: `Kom, ik ga eens al mijn kennissen een kerstkaart sturen.'