De waanzin van de grote vaderlandse oorlog

Josif Sjoechhalter was officier bij de medische troepen van het Rode Leger. Hij was erbij toen Königsberg op de Duitsers werd veroverd. Maar de vreugde duurde niet lang. Direct na de oorlog werd hij, een Jood uit Moskou, beschuldigd van diefstal. Een provocatie uit de koker van antisemitische partijorganen. Schoechhalter onderkende dat onmiddellijk, bekende dus en kwam er, mede door een interventie van zijn moeder (een bekende operazangeres) nog genadig af: hij werd niet naar de Goelag in Siberië gestuurd, het bleef bij een strafverbanning naar Orjol.

Jarenlang zijn dit soort verhalen verboden geweest. Voor generaties Russen is de `grote vaderlandse oorlog' een taboe gebleven, een positief taboe. Met vereende krachten had Sovjet-Rusland zichzelf en de wereld immers bevrijd van het fascisme. Grote offers zijn daarvoor gebracht, soms misschien wel te grote offers. Maar waar gehakt wordt, vallen spaanders. En het resultaat mocht er wezen: de rode vlag op de Rijksdag in top, de swastika's op de vuilnisbelt voor het Kremlin en half Europa aan de voeten.

In 1940 zag het daar niet naar uit. De `rode terreur' van Josef Stalin had het leger van zijn beste officieren beroofd. Bovendien lag er in het Kremlin een waanzinnig plan. Overtuigd van eigen kracht had de partijleiding zich voorbereid op een offensieve oorlog, niet op een defensieve. Als Duitsland en de geallieerden elkaar eerst zouden afmaken, zou de proletarische aanval kans van slagen hebben. Vandaar het beruchte pact tussen Molotov en Ribbentrop: het gaf het Rode Leger lucht om na de zuiveringen op krachten te komen en was ideologisch conform de `sociaal-fascisme'-theorie, waarmee sociaal-democraten tot handlangers van het kapitalisme werden gebombardeerd.

Pas toen de As-mogenheden zich eind september 1940 aaneensloten, begonnen verstandige Sovjet-Russen ongerust te worden. Terecht, want op 18 december werd in Berlijn `operatie Barbarossa' op de tekentafel gelegd. Maar de zorgen drongen niet door tot de bovenbouw in het Kremlin. De contraspionage van de geheime dienst, GROe, vond daar geen gehoor. Op 5 mei 1941 bracht Stalin nog een toast uit op jonge, net afgestudeerde, officieren: `Het Rode Leger is een modern leger en een modern leger is een aanvallend leger'. Zestien dagen later bleek de werkelijkheid zich niet aan de ideologie te houden.

Van God los

Wat zich daarna afspeelde, tart elke verbeelding. Stalin, de Russen en hun oorlog van de slavist Marius Broekmeyer is dan ook een verbijsterend verslag van een in nagenoeg alle opzichten krankzinnige oorlog. Hoe is het mogelijk dat zo'n zootje ongeregeld, geleid door politici die waarlijk van God los zijn geraakt, uiteindelijk toch heeft kunnen zegevieren? Broekmeyer stelt de vraag niet expliciet. Maar zijn boek gaat er wel over.

De kracht ervan schuilt namelijk in het detail. Op elke pagina is het raak. Wanneer in de nacht van 21 op 22 juni 1941 de Duitse aanval begint, ontvangen de sovjettroepen bijvoorbeeld `bevel nr.1' dat er nog van uit gaat dat de oorlog pas een dag later zal beginnen: `geen enkele provocatie'. Daarna volgt `bevel nr.2': `de grens niet overschrijden'. En als Zjoekov besluit Stalin te wekken, is diens reactie: `het vuur niet openen'.

Pas na de val van Minsk een week later wordt hij wakker. Vijf miljoen mannen worden gemobiliseerd. Dat lijkt heel wat, maar de meeste soldaten beschikken niet eens over een geweer. De eerste linies worden als levende schietschijven het front ingejaagd, in de hoop dat hun brullende `hoera' de vijand angst zal inboezemen. Als er wapens voorhanden zijn, schieten ze vaker vet dan kogels. Van een serieuze verdediging is dan ook geen sprake. De officieren worden bovendien continu op hun vingers gekeken door politieke functionarissen en lui van de afweerafdeling Smersj (Dood aan de spionnen), die afvalligheid in eigen gelederen meer vrezen dan de vijand.

Het tekent het gebrek aan vertrouwen van de partijleiding in haar eigen boeren en arbeiders. Daar is reden voor. Zeker in de niet-Russische gebieden ziet de bevolking de Duitsers aanvankelijk niet met tegenzin komen. Antisemitisme (`sla de joden, redt Rusland') duikt de kop weer op, in de bezette gebieden duchtig geïnspireerd door de Duitse propaganda. In een paar maanden kan de Wehrmacht maar liefst 3,6 miljoen krijgsgevangenen maken. In belegerde steden maakt de elite ondertussen in razendtempo de drankvoorraad soldaat. Her en der in Rusland is het `pir vo vremja tsjoemi' (feest ten tijde van pest). Desertie wordt epidemisch. Om dit `defaitisme' het hoofd te bieden, zijn alle middelen geoorloofd. Executiepelotons van de `speciale afdeling' maken achter het front overuren om terugtrekkende regimenten te liquideren.

Het mag niet baten. De Duitse troepen staan in een mum van tijd voor Moskou en Leningrad. De helft van de ruim vier miljoen zielen tellende hoofdstad vlucht of wordt geëvacueerd. In het belegerde Leningrad, waar in een jaar tijd vermoedelijk circa twee miljoen mensen sneuvelen of de hongerdood sterven, is dat pas mogelijk als de winter van 1941/42 toeslaat en het Ladogameer bevriest. In de Oeral wordt een bewapeningsindustrie uit de grond gestampt, die grotendeels door vrouwen draaiende wordt gehouden. En in Koejbysjev aan de Volga wordt een schaduwhoofdstad ingericht. Stalin opereert intussen ook paradoxaal. Enerzijds wordt elke vorm van menselijke nuchterheid met de dood bestraft: tactisch terugtrekken of in krijgsgevangenschap geraken, het is allemaal verraad. De mobilisatie van soldaten lijkt bovendien meer op mensenjacht dan op rationele recrutering. Anderzijds herstelt Stalin in het leger oude tsaristische tradities en krijgt de kerk weer een maatschappelijke positie. De sovjetideologie wordt doordrenkt met nationaal-Russische sentimenten, waarvoor de niet-Russen de prijs zullen betalen.

Stalin

Het zijn relevante wendingen. Maar ze zouden vermoedelijk niet beslissend zijn geweest. Het is de vijand die het zelfverdedigingsinstinct pas goed voedt, door zich in bezet gebied meer en meer te gedragen conform Hitlers onderscheid tussen `Herrenvolk' en `Sklavenvolk'. Het besef dat het niet om communisme versus fascisme gaat maar om het `moederland' brengt de bevolking meer in beweging dan alle propagandistische praatjes in de krant of op de radio.

Toch verliest het stalinisme zijn streken nimmer uit het oog. Vanaf de ommekeer bij Stalingrad (januari 1943) tot de verovering van Berlijn (april 1945) worden er miljoenen ongeoefende en slecht bewapende soldaten het vijandelijk vuur ingejaagd. Volgens sommige bronnen sneuvelen zelfs in Berlijn tijdens de laatste gevechten meer dan honderdduizend mannen die zich op weg naar de Duitse hoofdstad nog te goed hadden gedaan aan `Ring, Uhr, Rad, Wein' en vrouwen. Dat is ten dele het gevolg van rivaliteit tussen Russische officieren, maar het illustreert ook een politiek-militaire cultuur waarin soldaten letterlijk `kanonnenvlees' zijn. De sovjetburgers die uit gevangenschap of concentratiekampen naar huis terugkeren, worden dan ook via een `filtratiekamp' doorgestuurd naar de Goelag. Naar eigen maatstaven had Stalin noodgedwongen de teugels al te zeer moeten laten vieren. Meteen na de overwinning schroeven partij en geheime dienst de repressie weer snel op en kan het verleden gemythologiseerd en getaboeïseerd worden. De bevrijding verkeert voor een groot deel van de bevolking – zeker voor de intelligentsia en een aantal militaire `helden' – in haar tegendeel.

Marius Broekmeyer probeert deze paradoxale geschiedenis aan de vergetelheid te ontrukken, met een onconventionele methode. Zijn Stalin, de Russen en hun oorlog is geen lineaire monografie. Broekmeyer gaat uit van geschreven verhalen en bronnen van tijdgenoten, waaruit hij vervolgens zijn beschrijving destilleert. Het is de tweede keer dat Broekmeyer dit procédé gebruikt. In zijn Het verdriet van Rusland (1995) beschreef hij aan de hand van krantenknipsels, boekjes en romans de teloorgang van het boerenbedrijf in Rusland. Hoewel zijn methode componeren bemoeilijkt en Broekmeyer zijn onderzoek ook nog eens niet ondergeschikt wenst te maken aan de heersende dictatuur van de stijl, deed Het verdriet van Rusland zijn titel recht: het boek was ontroerend én kwaadmakend.

In Stalin, de Russen en hun oorlog slaagt Broekmeyer daarin minder goed. Het gebrek aan compositie dat een logisch gevolg is van zijn werkwijze, wreekt zich nu enigszins. Soms is er aan zijn boek even moeilijk een touw vast te knopen als de soldaten indertijd konden aan de bevelen van het opperbevel. Bovendien is hij niet trouw gebleven aan zijn eigen methode. Zijn bronnen zijn grotendeels `dissident' of van recente datum. Hij heeft daarvoor een plausibel argument. Pas na Gorbatsjov werd er in de Sovjet-Unie enigszins openhartig over de `grote vaderlandse oorlog' geschreven. Dat leidt ertoe dat de auteur zich concentreert op de revisionistische reflectie die tijdens de `glasnost' in de openbaarheid trad. Het hoe en waarom van het decennia lang gekoesterde positieve taboe blijft daardoor onderbelicht.

Stalin, de Russen en hun oorlog is zodoende een kroniek van kronieken geworden. Broekmeyer heeft weliswaar een fascinerend én schokkend boek geschreven. De lezer hier gelooft zijn ogen niet. Maar of Josif Sjoechhalter zich erin zou herkennen blijft een vraag.

Marius Broekmeyer: Stalin, de Russen en hun oorlog. Jan Mets, 321 blz. ƒ59,90