De schoonheid van de flessenvulmachine

Ze geloofden in een betere wereld en hun kunst moest die wereld aankondigen. In Nijmegen wordt Joris Ivens getoond als spil van de linkse avant-garde.

Op de omslag van het boek Passages, Joris Ivens en de kunst van deze eeuw staat een kleurenfoto waarop we de meester zelf in silhouet zien. Hij staat in een verneveld berglandschap en steekt een `hengel' met aan de top een microfoon de ruimte in. Het is een beeld uit zijn laatste film, Une Histoire de Vent (1988), en hij is bezig het geluid van de bergen op te nemen. Misschien was er geruis van wind, misschien registreerde hij juist de afwezigheid van wind, legde hij stilte vast. De foto straalt zo'n gespannen rust uit dat het laatste waarschijnlijk is. Beter dan wie ook wist Ivens dat stilte overal anders is. Het geritsel in struikgewas, de schreeuw van een vogel, het gezoem van een insect, de echo's van een verre snelweg, het zijn allemaal andere stiltes.

De foto van de toen negentigjarige Ivens is kenmerkend: tot het laatste moment stak hij zijn voelhorens en tentakels uit om de hele wereld waar te nemen, de werkelijkheid op te slurpen als materiaal voor in schoonheid gevangen overtuigingen, die hem tot grote hoogte en soms tot diepe diepten meesleepten.

Het boek Passages, met medewerking van diverse auteurs samengesteld door André Stufkens, dient als catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling rondom Joris Ivens die in Museum Het Valkhof in Nijmegen is ingericht. Het gaat over beeldende kunst, fotografie, film, affichekunst, architectuur en andere vormgeving zoals die zich de afgelopen eeuw in een gezamenlijke mentaliteit van vooruitgangsidealisme ontwikkelde, daarbij geen geografische of culturele grenzen aanvaardend.

Omdat Ivens' leven zo ongeveer deze eeuw heeft omspannen en hij altijd als een spin in het web van de avant-garde heeft gezeten is in zijn geboortestad Nijmegen een aanschouwelijke geschiedenis van de geëngageerde kunst te zien. Werk van bekende tot nauwelijks herinnerde kunstenaars die van vaag tot zeer concreet maatschappelijke en politieke hervormingen wilden bevorderen. Ze bestreden de onderdrukking, ze koesterden een heilsverwachting.

Ivens kan worden gezien als een soort noemer van een internationaal gezelschap dat in de eerste drie decennia van deze eeuw nog wat aarzelend rondtastte. Ze kwamen overeen in hun afkeer van het burgerlijke, bestormden de onwrikbaarheid van rang en stand, van een systeem waarin een ieder zijn door God bepaalde plaats wist en waarbij de rijken uitmaakten wat God wilde.

Met het Zwitserse en later Berlijnse Da Da, het Russische constructivisme en het al of niet magische realisme uit de jaren dertig als scharnierpunten pakten zij het kapitalistische bastion aan, waarbij het al snel niet vast stond of dit over de linkerflank of via de rechterzijde moest gebeuren. Behalve de Sovjet–Unie zagen velen ook Mussolini en diens fascisme als een weg naar grotere rechtvaardigheid. Onder die laatsten niet alleen Pyke Koch, maar ook Hendrik Marsman, Hendrik Scholten, J.C. Bloem en Erich Wichman. Van Jan Toorop is er in Nijmegen een portret te zien dat hij in 1927 van Mussolini maakte, een stoere, manlijk onverzettelijke leiderskop in zwart krijt.

Lakeiendom

Ivens zat links en zou daar consequent blijven zitten tot en met een absurde verheerlijking van Mao's China (Hoe Yu Kong de bergen verzette). Dit lakeiendom tegen beter weten in wordt hem nu nog door velen nagedragen, hoewel in die dagen de intellectuele mode een dergelijke houding voorschreef. Zoals dat later met de kunstzinnige vereerders van Cuba gebeurde. Met het verstrijken van de tijd echter raakt Ivens boven dit soort kritiek verheven. Net zoals in meerdere of mindere mate Céline, Ezra Pound, Pyke Koch en zelfs Leni Riefenstahl.

De vernieuwende artistieke kwaliteiten van dit soort mensen zijn te groot om ze blijvend uit te sluiten. Voor Ivens geldt bovendien dat we zeker kunnen zijn van zijn oprecht idealisme dat hem op het linkse spoor zette. Zijn overtuiging kreeg de kracht van een geloof met het nieuwe China als heilig leerstuk.

Wat betreft kunst en politiek is er een merkwaardige parallel waar te nemen in het werk van Ivens en dat van de Sovjet-Russische fotograaf Alexander Rodtsjenko. Hun wederzijdse invloed is groot geweest. Rodtsjenko introduceerde in de fotografie het spel van de onverwachte standpunten en vervreemdende composities. Het kikkerperspectief van onderaf en het vogelperspectief van boven, het diagonaliseren van de voorstellingen, het accentueren van schijnbaar onbelangrijke kleinigheden. Kortom, het uitputtend toepassen van de typisch fotografische mogelijkheden waarbij de camera in alle mogelijke standpunten en standen een steeds andere werkelijkheid registreerde.

Ivens paste deze stijl toe in zijn film De Brug, die de Rotterdamse Hef bezingt en waarin Ivens' geloof in en bewondering voor de techniek wordt beleden. Het zoeken en vinden van een nieuwe schoonheid in stalen ingenieurswerk. De film is uit 1928, het is dus ook mogelijk dat Ivens Rodtsjenko beïnvloedde. In veel gevallen is het niet meer met zekerheid uit te maken wie in die dagen het eerst was met een visie of stijl, er was sprake van een voortdurende wisselwerking.

Rodtsjenko maakte omstreeks 1933 tijdens drie lange bezoeken tweeduizend foto's van de aanleg van een kanaal tussen de Finse Golf en de Witte Zee, in het barre noorden van de Sovjet-Unie. Zijn foto's getuigden van een reusachtige Sovjet-prestatie. Het is nauwelijks aan te nemen dat Rodtsjenko niet heeft geweten dat het kanaal met zijn sluizen en bruggen, zijn doorbraken door rotsen en moerassen in dwangarbeid werd aangelegd door politieke gevangenen en dat hij niet heeft vermoed dat bij de aanleg honderdduizend mensen aan de ontberingen zijn gestorven. Bovendien zal het hem toch niet geheel ontgaan zijn dat het kanaal vrijwel onbruikbaar was en slechts propagandistische doeleinden diende en dat hij - Rodtsjenko - juist daarom werd ingezet.

Ivens en Rodtsjenko, beiden artistieke reuzen, overtuigde wereldverbeteraars, beiden gelovigen die vuile handen maakten. Misschien zelfs dat ze in hun dialectisch denken vonden dat die vuile handen niet te vermijden waren in hun opgang naar het licht.

Tooropmannen

De talloze dwarsverbanden en wederzijdse invloeden die in Nijmegen te zien zijn maken van de expositie een avontuur waar onverwachte ontdekkingen kunnen worden gedaan.

Bijvoorbeeld dat het bekende schilderij van Charley Toorop Aan den Toog uit de jaren dertig, waarop hoekige Tooropmannen zich laten bedienen door een niet minder stoere Zeeuwse in klederdracht, direct teruggaat naar een foto van Eva Bes-nyö. Een foto van een kroeginterieur in West-Kapelle met een Zeeuwse aan de tap en onder anderen Joris Ivens aan de bar.

Diezelfde Charley Toorop bracht rechtenstudent Pyke Koch aan het schilderen. Koch ging aan de slag en zag vooral in Da Da, Georg Grosz en Kurt Schwitters zijn grote voorbeelden, hetgeen te zien is op een groot olieverfschilderij uit 1928, Kermis te Utrecht. Draaimolenonderdelen, maskers en ook brakende of gewonde koppen van dronken kermisgangers vliegen hier in een grote geschilderde collage door de lucht. Da Da, Grosz, Schwitters, Charley Toorop, kunstverwanten en vrienden, ze zouden Koch niet tegenhouden op zijn weg naar de Duitse Cultuurkamer en zijn verwerpelijke tekeningen in het foute blad De Schouw.

Verrassend is ook het vroege werk van Henri Pieck (tweelingbroer van Anton) die later als belangrijke Sovjet-Russische geheim agent (spion) geen tijd meer had voor de kunst. Zou Ivens iets van zijn activiteiten geweten hebben? Henri stond wat betreft mentaliteit en artistieke opvattingen diametraal tegenover zijn brave broer Anton. Hij had ook een groter talent, hetgeen de laatste volmondig heeft toegegeven. In de jaren tien schilderde hij zeer geëngageerd werk over stakende mijnwerkers en lanterfantende soldaten. Verfrissend a-politiek is een drieluik van Pieck dat achter een landschappelijke impressie de portretten van Ivens' moeder Dora en haar twee dochters onthult, liefdevol neergezette portretten die ook iets zeggen over Piecks gevoelens voor zijn vriend Joris.

Veel aandacht krijgen de positieve opvattingen van links bewogen kunstenaars als Ivens, Piet Swart en Paul Schuitema over de kapitalistische industrie. Evenals de in Nijmegen niet vertegenwoordigde schilder Herman Heijenbrock zagen zij techniek en industrie als iets positiefs, als instrumenten die in de gewijzigde bezitsverhoudingen tot heil van het volk zouden dienen: veel werk en goedkope produkten.

De linkse avant-garde liet zich graag inspireren door machines, fabriekshallen, de rode hellegloed van gieterijen. De fotografen, ontwerpers en filmers onder hen raakten gefascineerd door de beeldende mogelijkheden van de robotachtige bewegingen van flessenvulmachines, lopende banden, krantendrukkerijen en dergelijke. Als in onderlinge samenspraak zochten zij naar het verrassende in extreme uitvergrotingen van bijvoorbeeld de moeren in een brug, de mond van een glasblazer, in de stilgezette beweging van een draaiende grammofoon. De film- en fotobeelden werden artistiek doel in zichzelf of materiaal voor een moderne, heldere en doorzichtige reclame. Ze zagen er geen bezwaar in om deze opdrachten van het grootkapitaal te aanvaarden, waarschijnlijk omdat er anders geen financiële mogelijkheden waren om hun vernieuwde inzichten te realiseren. Ivens draaide een film over de radiofabriek van Philips, enkele decennia later zou de oorspronkelijk communistische Jan Vrijman ongeveer hetzelfde doen.

Robert Capa

En dan zijn er de oorlogen die veel vernielden, zowel in het materiële als in het geestelijke. Veel van het oude en bestaande werd verdacht en verworpen. Op de puinhopen daarvan ontwikkelde zich onkruid dat later waardevol bleek te zijn in nieuwe stromingen en andere standpunten.

Ivens maakte een stuk of vijf oorlogen mee. Op de tentoonstelling draaien lange fragmenten van onder meer The Spanish Earth uit 1936, waarvoor hij samenwerkte met onder anderen Hemingway en Robert Capa. De beelden uit de Spaanse burgeroorlog zijn in al hun dreiging en vernietiging adembenemend mooi. Ivens zette zich in zijn werk af tegen de Hollywoodspeelfilms maar maakte toch iets meer omvattenders dan louter documentaires.

Ergens wordt hij een `geëngageerd dichter' genoemd en daar zit wat in. In hun opeenvolging en compositie vloeien de filmbeelden samen tot een rauw epos met toch poëtische lijnen, tot een betoog tegen het kwaad. Elk filmbeeld is een perfecte foto die door de meesterhand in beweging wordt gebracht, belichting en compositie zijn zo perfect dat zich af en toe de verdenking opdringt dat er gespeeld en geregisseerd is. Dat kan niet waar zijn, er is slechts perfect gefilmd en perfect gemonteerd.

De foto's en de beelden uit Ivens' film werken zo overtuigend omdat ze gemaakt werden volgens het adagium van Robert Capa: `Als een foto niet goed is, was je niet dicht genoeg bij'. Ivens zat als het moest in de loopgraven van waaruit de aanvallen begonnen. Of hij had positie gekozen op de top van een berg in China, met uitzicht op een immense vlakte waar een ruim verspreide Chinese legereenheid opdrukt. Opnieuw, de beelden zijn ongelooflijk, mooi en dreigend, poëtisch en verschrikkelijk.

Joris Ivens heeft zijn talent niet van een vreemde. Op de expositie is ook werk te zien van zijn vader Kees. Foto's van de bruggen in Nijmegen, andere stadsbeelden maar ook een prachtige plaat van de eerste auto in de stad. In een silhouet door tegenlicht wordt het voertuig een wonder, een openbaring, geaccentueerd door de silhouetten van twee mannen die rechtop, rug aan rug in de open automobiel hadden plaatsgenomen.

Ook Kees Ivens had kunstenaars om zich heen, Johannes Weissenbruch bijvoorbeeld, en Jan Toorop en Henry Luyten die al sociaal bewogen doeken maakte, met name over de arbeiders in de steenfabrieken. Hij deed dat ondanks het feit dat een der steenfabrikanten zijn mecenas was.

Later zou Luyten in de Borinage een imposant drieluik maken, `De Werkstaking', dat wegens zijn opruiend geacht karakter niet geëxposeerd mocht worden. De Borinage werd na Van Gogh een soort bedevaartsplaats voor maatschappelijk bewogen kunstenaars. Isaac Israëls was er, Jan en Charley Toorop, Christiaan de Moor, Harmen Meurs en ook Joris Ivens en korter geleden de fotograaf Dolf Toussaint die er een boek bij elkaar fotografeerde.

En onlangs gooide de Borinagefilm van de Belg Patric Jean hoge ogen op het documentairefestival in Amsterdam. In deze film worden ook fragmenten gebruikt uit de documentaire die Ivens maakte samen met Henri Storck. Niet als contrastbeelden maar juist om aan te tonen dat er in deze voormalige mijnstreek niets, maar dan ook niets veranderd is. Vroeger werden de mensen er in de mijnen uitgebuit, nu zijn de mijnen dicht en verkommeren ze in werkloosheid. Dronkenschap, analfabetisme, krotten, het is er nog allemaal, hetgeen weinig optimistisch stemt over de invloed van kunstzinnige publiciteit.

Ondanks al zijn politieke zonden werd Ivens tegen het einde van zijn lange leven door koningin Beatrix onderscheiden met het ridderschap in de Orde van de Nederlandse Leeuw. De Wereld Vredesprijs in Helsinki, de Venetiaanse Zilveren Leeuw, de Internationale Leninprijs van Moskou, een eredoctoraat aan de Karl Marx-universiteit in Leipzig, de Che Guevaraprijs in Cuba en een commandeurschap van het Legion d'Honneur, uitgereikt door president Mitterand, had hij al.

Passages, Joris Ivens en de kunst van deze eeuw. Tot 5/3 in Museum Het Valkhof, Kelfkensbos 59, Nijmegen, di t/m vr van 11-17 uur, za, zon en feestdagen van 12-17 uur. Eerste Kerstdag gesloten.