De pendule van de tijd

Dankzij ds Nico van der Linden hebben we de Statenvertaling terug. Aflevering 51 van Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Alles is tijdelijk, alles verdwijnt en dan komt het weer terug. Een paar jaar geleden kreeg een Schotse uitgeverij het idee een aantal boeken van de Bijbel uit te geven als nieuw; dat wil zeggen, als losse boekjes, met een cool designomslag, een groovy formaat, en een fris voorwoord van een hedendaagse schrijver. Alles was nieuw aan die boekjes, behalve de tekst. Gebruikt werd namelijk de St. James-vertaling, die uit 1611 stamt. Die vertaling geldt sinds tijden als de mooiste, de meest gewortelde, echt Engelse, net als de Nederlandse Statenvertaling als bij ons als de mooiste, de meest gewortelde, echt Nederlandse geldt. De boekjes waren een enorm verkoopsucces, de Bijbel bleek in deze `nieuwe' vorm ongekend populair. Een Nederlandse uitgever pikte de formule op, vroeg een paar Nederlanders en een Vlaming om een bijdrage en herdrukte de Statenvertaling.

Oude wijn in nieuwe zakken. Dat gezegde wordt altijd misprijzend gebruikt, alsof er gemeen bedrog in het spel is, maar het bijbelvoorbeeld laat zien hoe noodzakelijk nieuwe zakken zijn. Tientallen jaren hebben commissies zich het hoofd gebroken over de vraag hoe de Bijbel dichter bij de moderne mens te brengen. Zoals altijd wanneer het om oude cultuur gaat, dacht men dat je dat alleen kon bereiken door heel diep op je hurken te gaan zitten en Jezus te laten praten alsof hij naast je aan de bar zat. Het mocht vooral niet op de taal van de Statenvertaling lijken, dat was het leidende principe. En wat gebeurt er? Net nu de Bijbel voorgoed leek overgeleverd aan de ouwelijke hipheid van ds Nico van der Linden en de zevenhonderd schrijvers van bezwaarschriften tegen het gebruik van het woord Heer voor God in de nieuwste vertaling (te mannelijk), krijgen we op de valreep van het nieuwe millennium de klassieke Statenvertaling terug. Natuurlijk, hij was rechtenvrij, de vertalers hoef je geen royalties te betalen, maar de uitgever zal vooral voor deze vertaling gekozen hebben omdat hij zo mooi is, en zo sjiek tijdloos afsteekt bij al dat hedendaagse gedoe.

Daar zal, pace Bourdieu, ongetwijfeld een element van snobisme in meespelen. Gelukkig maar. Een van de grootste misverstanden in het politieke denken over kunst en cultuur is de notie dat snobisme geen invloed op culturele ontwikkelingen zou mogen hebben. Onzin, leve de kunstsnob. Zonder een gezond cultureel snobisme van mensen die zich tot wat voor elite dan ook rekenen, zou de kunst hopeloos aan zichzelf worden overgelaten.

Dankzij ds Nico van der Linden, kun je rustig zeggen, hebben we de Statenvertaling terug.

Je bent gewend te denken in termen van vergankelijkheid. Het oude maakt plaats voor het nieuwe, aan alles komt een eind. Het verdwijnen van de Statenvertaling leek een uitgemaakte zaak, toen nieuwe vertalers zich geroepen voelden een Nederlandse Bijbel te maken voor `onze' tijd. De fotografie zou een einde maken aan de schilderkunst. De beeldcultuur zou het boek laten verdwijnen. De typemachine zou het handschrift verdringen, de telefoon de geschreven boodschap. Popmuziek was de nagel in de doodskist van de klassieke muziek. De film was het einde voor het toneel, televisie luidde de doodsklok voor de film. Enzovoort.

Die notie van vernieuwing versus teloorgang beheerst nog steeds het culturele debat. Enerzijds zijn er de onheilsprofeten die enkel en alleen uitgeholde tradities zien en verloren cultuurgoed. Zij zien vooral dingen verdwijnen, eigenlijk alles wat ze van waarde achten, de kunst, de traditie, de samenhang, de vorm. De wereld van vandaag is een wereld vol namaak. Onze cultuur is ontzield. Alles lijkt alleen nog maar op wat het eens was. Voor hen is zo'n populaire herdruk van de Statenvertaling waardeloos, een aanfluiting zelfs, omdat heel de culturele (en religieuze) kontekst ontbreekt. Er ontbreken bijbelboeken, de vormgeving is schreeuwerig modieus, de spelling aangepast het is een travestie. Als het zo moet, dan maar liever niet.

Tegenover hen staan de vernieuwers. Zij kunnen bijna niet wachten op andere vormen, ze geven zich met hartstocht over aan alles wat zich als onbekend voordoet, op cultureel, maar vooral op technologisch gebied. Het oude kan niet snel genoeg vervangen worden. Achter wat zich als nieuw of vernieuwend voordoet, zien zij meteen een compleet nieuwe wereld opdoemen, waarin de mens nooit meer dezelfde zal zijn. Het internet zal eindelijk de langverwachte verbroedering der mensheid bewerkstelligen, ook al is die virtueel. Wie schrijft er nog een lange brief in het tijdperk van de e-mail? En wie wil er nog een Filmmuseum wanneer er een Beeldinstituut in het verschiet ligt? De wereld is digitaal, dus ook wij willen digitaal zijn. Wat oud is, krijgt vanzelf iets knulligs, iets hopeloos achterhaalds. En het oudste dat ze kennen is toch wel de mens zelf. Zowel lichaam als geest zijn nu al zo plooibaar, dat ze binnenkort vast en zeker volledig maakbaar zullen zijn aan de slag! In hun toekomstvisies op de korte baan lijkt de mens helemaal niet meer op henzelf. Wat hen aan de oude wereld bindt, stellen ze gretig vast, is ten dode opgeschreven en je kunt maar beter zo snel mogelijk schoon schip maken.

Identiteit, schoonheid, individu, authenticiteit, uniciteit. Oude woorden, dode woorden.

De nostalgici en de vernieuwers, twee zijden van dezelfde medaille. Uit hun betogen en waarschuwingen en liefdesverklaringen aan toekomst of verleden spreekt groot ongemak met de wereld zoals hij is, de wereld van de ervaring. De een hunkert naar verankering in wat geweest is, de ander wil zichzelf verliezen in wat hij denkt dat zal komen. Beide groepen zijn op zoek naar een onmogelijke zuiverheid. Daarom heeft het postmodernisme zo'n slechte naam bij allebei. Ze kunnen moeilijk verteren gedachte dat iedere levende cultuur altijd eenduidigheid zal missen, dat het nieuwe niet automatisch het einde van het oude inhoudt, dat zo onvoorstelbaar veel naast elkaar kan bestaan. Transformatie en wedergeboorte zijn voor hen uitgesloten.

Terwijl je alleen maar om je heen hoeft te kijken om te zien dat het zo gaat: wat bedreigd wordt maakt zich sterk. Ik ben ervan overtuigd dat internet en andere nieuwe media de leescultuur juist steviger gemaakt hebben. Veel kijken doet behoefte aan lezen ontstaan. Massaliteit roept een verlangen naar concentratie op. De roes en het verlangen naar de authentieke ervaring, een de stortvloed van beelden en de regel poëzie, humanisme en het verlangen naar transcendentie, het algemene en het specifieke, het volkse en het elitaire, hand in hand gaan ze. Ze verdringen elkaar niet, ze roepen elkaar op.

De pijl van de tijd is vervangen door de pendule.

Allemaal surrogaat, roepen de onheilsprofeten, allemaal kwalijk relativisme. Het lijkt weliswaar op wat het eens was, maar het is onecht, een schijnvertoning. Kijk maar naar vroeger. Toen was alles echt.

Allemaal nostalgie, zeggen de vernieuwers misprijzend, restanten van een oud levensgevoel. Binnenkort is het voorgoed verdwenen.

Ze hebben beide ongelijk, denk ik. Alles verandert, niets verdwijnt.