De meester van de binnenplaats

Charles Vandenhove bouwde in Maastricht een nieuw wooncomplex en herzag de Koninklijke Schouwburg in Den Haag.

,,Mijn grootvader was organist in de Voerstreek'', zegt de Luikse architect Charles Vandenhove als ik hem vraag naar de herkomst van zijn talent. Wij wandelen door de Koninklijke Schouwburg in Den Haag die in de afgelopen jaren door hem rigoureus is verbouwd. ,,En uw vader?'' Hij glimlacht minzaam, waarschuwt voor een losliggende drempel, want de schouwburg is weliswaar in september heropend, de verbouwing is nog niet voltooid. ,,Mon père? Un modest commerçant''. Met een licht armgebaar houdt hij mij staande aan de voet van een ongelooflijk elegante trap.

Met twee transparante trappartijen in de Haagse schouwburg heeft Vandenhove de vroegere, onoverzichtelijke zijfoyers in heldere samenhang gebracht. Hun geheim schuilt niet alleen in de zwierige lijn van de zeegroene, glazen treden of de balustraden van helder glas. Vooral door het van boven invallende licht worden beide trappen ware kunstwerken. Vandenhoven: ,,Toen dat idee van het natuurlijke bovenlicht er eenmaal was, ging de rest in de trappenhuizen vanzelf. Buiten de theaterzaal is zo'n schouwburg een sociaal gebouw. Men wil elkaar zien en dat gaat hier nu goed. De foyers zijn doorzichtig geworden. Van de foyer ter hoogte van het tweede balkon kijk je zo op de straat. ''

Zwijgend gaat hij voor naar de zaal. Zijn plechtige tred past wel bij een schouwburg die in 1770 oorspronkelijk als paleisje werd gebouwd door Pieter de Swart. De uit 1863 daterende hoefijzervorm, het interieur 'à l'italienne' met de balkons en de loges is behouden gebleven, maar van een feestelijke, gewatteerde bonbonnière is geen sprake meer. De kleur rood verhuisde naar de omlopen, zaal en stoelen kregen een gedistingeerd donkergrijs uiterlijk. Ondanks de opnieuw vergulde medaillons op de balkonranden is het inwendige van het bekendste Haagse theater vooral koel en afstandelijk geworden.

Wat men in de Amsterdamse Stadsschouwburg nog niet aandurfde is hier gebeurd, het toneel werd verbreed en de toneellijst is verdwenen. Het interieur van de zaal komt nu wel heel hardhandig tot stilstand ter hoogte van het brandscherm. Toen in de krant berichten verschenen dat de akoestiek niet meer zo goed is als vroeger, verbaasde mij dat niet. Akoestiek kan je ook zien en voelen. In de Haagse schouwburg lijkt met de esthetische versobering van de zaal een oud, innig verbond tussen die twee te zijn aangetast, zichtbaar en voelbaar. Zoiets kan de klank in de ruimte niet onberoerd laten.

In al zijn creaties zoekt Charles Vandenhove gezelschap van beeldend kunstenaars. Bij de eerdere renovatie in 1992, waarbij Vandenhove de schouwburg aan de zijkant voorzag van een serre-achtige aanbouw voor de kassa, maakte de Amerikaanse kunstenaar Sol LeWitt een integrale decoratie in de hal. Banen in bedaarde kleuren, van vloer tot plafond, zowel verticaal als horizontaal, geven de vestibule een eigenaardig karakter dat nog het beste met `stemmig' is omschreven. Bij de recente verbouwing vroeg Vandenhove aan Jean-Pierre Pincemin het vloerkleed in de zaal te ontwerpen. Het resultaat is een licht tapijt met een grillig grafisch motief van donkere lijnen. Het doet denken aan moderne, verantwoorde gordijnstof uit de jaren vijftig waardoor de zaal, vooral gezien vanaf het balkon een gedateerde indruk maakt.

Of is het woord tijdloos hier beter op zijn plaats?

Oeuvre

Met deze vraag belanden wij middenin het architectonisch oeuvre van Charles Vandenhove. Kijk naar de nieuwe toneeltoren die hij aan de Koninklijke Schouwburg heeft toegevoegd. Modern in materiaalgebuik - gewassen beton -, klassiek in de ordening van de vensters. Godzijdank kon de toneeltoren worden gecombineerd met bureauruimtes op de verdiepingen waardoor een blinde kolos werd voorkomen. Zo ontstond een delicaat gebouw met, bij wijze van Franse balkons, glazen balustraden voor de ramen met een bescheiden, gezandstraald motief dat ook door Pincemin werd getekend. Over twintig jaar zal men zich afvragen welke tijd voor de architectuur van de toneeltoren verantwoordelijk is.

Het zal mij niet verbazen wanneer gaandeweg de volgende eeuw de datering van het gehele werk van Vandenhove voor problemen zal zorgen. Gebouwen, veelal wooncomplexen van hem zijn nu te vinden in Amsterdam, Den Haag, Maastricht, Breda, 's-Hertogenbosch, Wageningen, Groningen en Wolvenschans. Het startschot voor zijn Hollandse veldtocht werd gegeven met een tentoonstelling van zijn werk in de Beurs van Berlage, in 1986 georganiseerd door de Stichting Wonen. In datzelfde jaar maakte hij een ontwerp voor een maritiem museum in Hellevoetsluis.

Op de tekening laat dit reusachtige complex een theatrale architectuur zien die stilistisch minstens drie eeuwen doorkruist, te beginnen bij de zeventiende eeuw, de eeuw van de VOC. Doodzonde dat het museum voor de verlaten thuishaven van de Nederlandse vloot nooit is uitgevoerd. Rond de oude scheepswerf met het droogdok had Vandenhove een kleine stad aan het water ontworpen, waar alle gebouwtypen al bijeen stonden die hij in de toekomst zou gebruiken en assembleren. De eindeloze gevelcadans van het Paleis van Justitie in 's-Hertogenbosch, gereedgekomen in 1998 pal achter het station, was al op de tekening voor `Hellevoetsluis' te zien. Dat geldt ook voor de hoog opbollende, halfronde daken, bekleed met koper of zink, met een patrijspoort in de nok van de kopse gevel. Deze dakvorm is karakteristiek geworden voor Vandenhovens classicistische bouwkunst.

Wat biedt het papieren Maritiem Museum in Hellevoetsluis nog meer aan prototypische grondstof? Omsloten binnenhoven die hij in bijna al zijn stedelijke woningprojecten zal toepassen. Dat Vandenhove de meester is van de binnenplaats bewijst hij in extreme vorm bij het reusachtige woonblok tussen het Zieken en de Huygensgracht in Den Haag. Hier componeerde hij in het hart van het aan de buitenzijde torenhoog oprijzend woonblok een laag arenagebouw dat met eindeloos veel kolommen een palladiaanse allure heeft. Zo ontstond een ellipsvormig binnenhof dat van verschillende kanten toegankelijk is en waar de stilte heerst van een kloostertuin.

Dakkapellen

Het plan voor Hellevoetsluis verraadt ook Vandenhovens voorliefde voor opvallende dakkapellen. Waar kon hij deze passie beter botvieren dan in de stad waar de dakkapel tot kunst is verheven, Maastricht. Aan de rand van het Vrijthof, naast de Sint-Jan werd hier vorige week vrijdag het wooncomplex `Staar' feestelijk opgeleverd met een optreden van de Mas-treechter Staar. Het beroemde koor had ooit op deze plek een repetitielokaal.

Het pyramidedak van het vierkantige, centrale woongebouw van de Staar draagt aan vier kanten - waar het kan zal Vandenhove symmetrisch zijn - rechthoekige glazen dakkapellen die bijna kleine huisjes op zichzelf zijn. Het gebouw eronder is Bologna-rood geschilderd wat samen met het vaal, gebladderde rood van de Sint-Jans toren een opwindende combinatie oplevert. Het compacte stadswijkje in de historische omgeving heeft twee binnenplaatsen en zoals in de Haagse Schouwburg is er een tapijt gelegd. Hier van keitjes met een patroon dat ook weer door Jean-Pierre Pincemin is ontworpen.

In een van de schaarse interviews met Charles Vandenhove zei hij over zijn samenwerking met kunstenaars: ,,Ik zou willen dat het werk van de kunstenaars zich, net als in de Renaissance, zou verbinden met het mijne. Dat het ene niet zonder het andere zou kunnen, maar dat is heel ambitieus.'' Vanwege die ambitie is hij, bijna als een museumdirecteur, trouw aan zijn kunstenaars. Zelden zal men in, op of aan zijn gebouwen andere werken aantreffen dan afkomstig van Sol LeWitt, Daniel Buren, Giulio Paolini, Olivier Debre, lambrizeringen van Léon Wuidar, Marthe Wéry, Claude Viallat, André Romus of Jo Delahaut.

Slechts enkele van deze kunstenaars zijn wereldberoemd. Het is typerend voor Charles Vandenhove dat hij zich niets aantrekt van modes. Wie door het Staar-wijkje in Maastricht wandelt zal denken dat het er altijd al is geweest. Toch is zijn bouwkunst hier niet historiserend, zoals dat bijvoorbeeld het geval is in het Amsterdamse wooncomplex `De Liefde' (1992) aan de Da Costakade. Hier bootste hij zo regelrecht de gevels van grachtenhuizen na, dat je bijna aan een grap zou denken.

Bij zijn jongste creatie in Maastricht is van imitatie geen sprake. Ook heeft hij zijn versierzucht volledig bedwongen. De vier stadswoningen die een bepalend onderdeel van het wijkje uitmaken, ontlenen hun kracht aan de eenvoudige verschijningsvorm en zorgvuldige detaillering van ramen, deuren, dakkapellen. En wat het opvallendste is: zij verkeren in volmaakte rust met hun omgeving.

Over zichzelf heeft Vandenhove eens gezegd dat hij bouwt zoals een boer het land bewerkt, met dezelfde gehoorzaamheid, dezelfde directheid, dezelfde noodzakelijkheid, dezelfde ervaring. In Maastricht is te zien dat het loont om in het métier van de architectuur als een boer te zijn.