De lege spiegel van het Westen

Moskou is geen tegenstander, geen medestander en geen bondgenoot. We weten niet precies wat we aan de Russen hebben. En dat hebben we vaak niet geweten, op die overzichtelijke decennia van de Koude Oorlog na. Een mooi standaardwerk beschrijft de westerse houding ten opzichte van Rusland.

Een geweldige grap. Ze sloegen zich op hun dijen van de pret – de Russische vrienden die in juni in Moskou naar de eerste journaalbeelden keken van de troepen die het vliegveld van Priština innamen. Hún troepen. Bijzonder antiwesters gezind waren ze niet, maar dit vonden ze prachtig. Eindelijk laten we die arrogante Amerikanen eens zien dat we er ook nog zijn.

Het was de voorspelbare reactie op de ambivalentie waarmee het Westen de afgelopen jaren is omgesprongen met Rusland. Na de val van de Muur is de `Russia first'-politiek jarenlang een uitgangspunt geweest van het Amerikaanse buitenlandse beleid, maar de reeks voldongen feiten waarvoor Moskou werd geplaatst sprak een heel andere taal. De euforie over Priština bleek dan ook van korte duur. De tweehonderd jongens die naar Kosovo werden gestuurd, waren maar hulpeloze pionnen in het geopolitieke schaakspel van hun superieuren. Het wisselgeld dat de Russen met de bezetting van het vliegveld meenden in handen te hebben, bleek weinig waard in de onderhandelingen die volgden. Geen eigen sector; geen onafhankelijke commandostructuur. Het Westen accepteerde noodgedwongen de diplomatieke bemiddeling van de Russische Federatie tijdens de oorlog om Kosovo maar verwierp vervolgens de bijzondere rol die Moskou claimde in het bestuur van de regio.

Het is typerend voor de verhouding tussen Rusland en het Westen. Moskou is geen tegenstander, geen medestander en geen bondgenoot. We weten niet wat we aan de Russen hebben, wat we met ze aanmoeten. En dat hebben we vaak niet geweten, op die overzichtelijke decennia van de Koude Oorlog na. Onze ambivalente verhouding met het Rusland van Boris Jeltsin staat in een lange traditie. Over die traditie, de manier waarop in het Westen over Rusland is gedacht, gaat Russia under Western eyes van de Amerikaanse historicus Martin Malia. Meer dan dertig jaar werkte hij aan de geschiedenis van het westerse Ruslandbeeld. Het is een fraai boek: soms wijdlopig en betweterig van toon, zoals alle publicaties van Malia, maar ook zelfverzekerd, vol verbeeldingskracht en scherp geformuleerd.

Westerse opvattingen over Rusland vertonen vanaf Peter de Grote, eind zeventiende eeuw, een opmerkelijke continuïteit. Vrees, bewondering en hoop keren steeds weer terug. Malia benadrukt dat die beelden van Rusland in belangrijke mate projecties zijn van onzekerheden van de westerse samenleving zelf. De visie op Rusland, meent hij, zegt vaak meer over de kijk op de eigen samenleving dan over de werkelijkheid. In het beeld van Rusland herkent Europa zichzelf. De filosofen van de achttiende eeuw zagen in hun helden Peter en Catherina de Grote geen orthodoxe autocraten die alleenheersten over een rigide, onderworpen samenleving, maar representanten van het universele ideaal van Verlichting en beschaving. Zij plaatsen, net als de fellow-travellers van de twintigste eeuw, de vermeende politieke dynamiek van de Russische staat tegenover het conservatisme in eigen land.

Het enthousiasme dat verlichte filosofen en linkse fellow-travellers deelden, benadrukt Malia, betrof vooral de Russische staat: eerst de monarchie, later het bolsjewistische regime. De West-Europese Ruslandreizigers die achter de werkelijkheid van Catherina's wetgeving of Stalins propaganda keken, kwamen vaak teleurgesteld thuis. Zij schetsten het beeld van een primitieve samenleving. Voorzover de gewone Russen hen niet onberoerd lieten, werden ze voorgesteld als een onwetende, bijgelovige en roerige massa die juist om een sterke staatsmacht vroeg.

Verlicht despotisme

`De cultus van het verlichte despotisme bloeide vooral in het Westen', merkt Malia op, `de werkelijkheid waarnaar het verwees bestond vooral in het Oosten.' In onze eeuw gold voor het communisme in wezen hetzelfde. Op enkele uitzonderingen na bleef het in westelijk Europa beperkt tot de politieke marge. De bewondering voor het `reëel bestaande socialisme' oversteeg de kring der communisten in ruime mate. De meeste fellow-travellers echter, en zij niet alleen, geloofden net als Stalin heilig in de theorie van het `socialisme in één land' – zij het bij voorkeur niet in eigen land. Verlichte filosofen, linkse sympathisanten en internationale bankiers dachten Rusland te zien, maar zagen in werkelijkheid de Russische staat, zijn elite en de ideologische aanspraken waarvan deze zich bediende. De vanzelfsprekendheid waarmee we de Russische Federatie in de jaren negentig de vermeend universele recepten van de markteconomie hebben voorgeschreven, getuigt van eenzelfde beperkte en vervormde, aan de eigen werkelijkheid ontleende visie op Rusland.

Deze metafoor van Rusland als spiegel van Europa heeft zo haar beperkingen. Vreemde culturen worden altíjd gezien door de bril van de eigen samenleving. Bovendien miskent ze de betekenis voor ons Ruslandbeeld van de autonome politieke ontwikkelingen in Rusland zelf en van de rol die het land speelde op het Europese politieke toneel. Het culturele hoogtij dat Rusland in de negentiende eeuw doormaakte vertoonde weliswaar affiniteit met de romantische zoektocht van vooral Duitse denkers naar de geestelijke, spirituele basis van het bestaan van de natie, maar het stond er in wezen los van. Het was wel de tijd waarin het bijzondere idee van de Slavische, zoniet de Russische ziel, ook tot ver buiten Rusland doordrong. De Rus als Seelenmensch is sindsdien een deel van ons Ruslandbeeld gebleven.

Malia gebruikt de beeldvorming van Rusland als instrument om de plaats van het land in de geschiedenis van Europa te bepalen. Hij verwerpt de dikwijls gesuggereerde polariteit van Rusland en Europa en poneert de these van de culturele `helling' (gradient) van West naar Oost. Het is een variatie op het bekende maar omstreden thema van de Europa's culturele `binnengrenzen': tussen West, Centraal en Oost. Rusland is deel van Europa, zij het aan de uiterste rand. Rusland en Europa delen hun geschiedenis, zij het in variërende mate. Zo prominent als het land in de negentiende eeuw aanwezig was op het continent; zo ver stond het van Europa in de twintigste eeuw – volgens Malia.

Een bijzondere combinatie van politieke en geografische omstandigheden bepaalde dat Rusland in de vorige eeuw lange tijd een vanzelfsprekender rol in de Europese politiek speelde dan eerder, of later, in zijn geschiedenis. De nederlaag van Napoleon en de herschikking van het Europese continent op het Congres van Wenen in 1815 bevestigde in Malia's woorden `Ruslands volwaardig lidmaatschap van de Europese familie'.

Steunpilaar

Zoals zo vaak belichaamde Rusland ook toen de hoop van de één en de vrees van de ander. Malia: `Het was machtiger dan enige staat op het continent; het verschafte spierkracht aan de Heilige Alliantie van de drie absolutistische staten in het oosten van Europa na 1830, maar precies om deze redenen was het de belangrijkste vijand in de ogen van degenen die de westerse vrijheid en vooruitgang voorstonden.' Steunpilaar van de conservatieve alliantie of niet – zelfs de bondgenoten van Rusland bleven ambivalent over het karakter van het land. De geopolitieke rol van de Russische staat op het continent heeft nooit de mate bepaald waarin de Russische cultuur en samenleving als `Europees' werden geaccepteerd.

Al doende levert Malia het bewijs van zijn eigen stelling, namelijk dat het beeld van Rusland vaak meer zegt over onszelf dan over Rusland. Typeert hij Rusland in algemene zin als een Europese mogendheid die zich uiteindelijk over een belangrijk deel van Azië uitstrekte, na de bolsjewistische staatsgreep van november 1917 nam het de gedaante aan van een Aziatische macht die tot ver in Europa reikte. Malia behoort tot degenen die het bolsjewisme buiten `Europa' of het `Westen' plaatsen. Pas in 1991, na de val van de Sovjet-Unie, meent hij, wordt de culturele gradient van het continent hersteld. De reden waarom Rusland in zijn bolsjewistische gedaante wordt buitengesloten van de Europese geschiedenis wordt niet duidelijk. En waarom communistisch Rusland wel en die andere totalitaire uitdaging aan de westerse liberale democratie, nazi-Duitsland, niet?

Malia's beoordeling van het bolsjewisme is typerend voor het westerse beeldvorming van Rusland na 1917. Alle traditionele elementen van ons Ruslandbeeld zijn aanwezig, maar nu in de overtreffende trap. De fascinatie met Rusland, de angst maar ook de hoop van velen zijn scherper en onverzoenlijker dan ooit eerder. De verhouding tussen Rusland en het Westen nam na 1917 een geheel nieuwe gedaante aan. En het was de ideologie meer dan het land, waarom de Sovjet-Unie een heilstaat voor de één, en een schrikbeeld voor de ander was. En nu is het geen van beide meer.

Na de bizarre Gorbimania in de jaren tachtig is Rusland van zijn allure ontdaan. Rusland is opener en toegankelijker geworden. Het is net een gewoon land, maar dan anders. Hoe fascinerend de veranderingen ook zijn die het land doormaakt, ze genereren niet meer de vrees of verwachting, zelfs niet de belangstelling, waarop de Sovjet-Unie kon rekenen. De periodieke opwinding over intriges in het Kremlin kan niet verhelen dat het vooral het enorme arsenaal aan vernietigingswapens is dat ons tot een voortdurende bemoeienis met Rusland dwingt. Rusland is niet sterk genoeg om er werkelijk rekening mee te houden, maar te zwak om aan zijn lot over te laten.

Martin Malia: Russia under Western eyes. From the Bronze Horseman to the Lenin Mausoleum. Harvard University Press,

514 blz. ƒ82,95