De hele santenkraam

Hoe moeten we naar heiligen kijken? Zijn het mythologische figuren of historische personages? Twee nieuwe boeken met twee verschillende benaderingen: een rationele encyclopedie van 9000 heiligen en een bloemlezing met respect voor de mythen.

Wie was Adela van Trier? Veel lijkt er niet over haar bekend te zijn. Ze was de dochter van koning Dagorbert II van Austrasië (ruwweg het gebied tussen Maas en Rijn) en – wellicht – de heilige Irmina van Öhren. Na de dood van haar man werd ze abdis van een klooster bij Trier. Vandaag, de datum waarop ze rond 734 gestorven moet zijn, is het volgens de katholieke heiligenkalender haar feestdag.

Dat is bijna alles wat het imposante naslagwerk De heiligen van Stijn van der Linden over haar te melden heeft. De rest verliest zich in het duister van de geschiedenis en de legendevorming, waardoor zoveel van de ruim 9.000 in dit boek vermelde heiligen en zaligen worden omhuld. Wie door dit verbijsterende labyrint van vroomheid en wreedheid bladert, ziet voortdurend het onbekende, mythische of ronduit fantastische opdoemen. Het wemelt van de heiligen die op twee plaatsen tegelijk zijn, zich in meditatie van de grond verheffen, uit de dood opstaan of (vaker) anderen uit de dood laten herleven.

Neem Sint Nicolaas van Myra, in Nederland waarschijnlijk de meest geliefde heilige, die drie priesterstudenten opnieuw tot leven wekte nadat ze door een herbergier waren vermoord en als vlees in een kuip waren gepekeld. Op de middeleeuwse afbeeldingen daarvan werd de heilige gewoonlijk groter afgebeeld dan de gereddenen, waardoor het kinderen leken. Zo werd Sint Nicolaas de kindervriend die wij kennen, compleet met schimmel, roe en zwarte knecht. Dat laatste had niets christelijks meer, schrijft Van der Linden. Het waren traditionele attributen van Wodan, die door de hemel reed op zijn paard Sleipnir, vergezeld door de zwarte reus Nörwi. Zwarte Piet (wiens roe geen strafinstrument maar een vruchtbaarheidssymbool was) heeft dus evenmin iets met racisme uit te staan als het Engelse woord niggardly met nigger. Hoe Sinterklaas, die van oorsprong een Turkse heilige was, tenslotte in Spanje belandde, meldt Van der Linden niet.

Moederborst

De wordingsgeschiedenis van Sint Nicolaas is een goed voorbeeld van het mengsel van geschiedenis en mythologie, christelijkheid en heidendom dat de heiligenschare gemaakt heeft tot wat ze is. Met heiligen zit je bijna altijd op de rand van de zekerheid, luciditeit en orthodoxie. Het waren voorbeeldige mannen en vrouwen, wier deugdzaamheid soms tot in het bizarre werd uitvergroot, zoals in de verhalen over heiligen (waaronder Sint Nicolaas) die als zuigeling op vasten- en onthoudingsdagen de moederborst weigerden. Dat is niet alleen komisch omdat de heiligheid bijna tot in de moederschoot werd geprojecteerd, maar vooral omdat ze werd afgelezen aan een juridische deugd. Het morele en het reglementaire schoven in elkaar en het resultaat is – voor het moderne gemoed – een groteske incongruentie.

Die juridische obsessie komt wel vaker in heiligenlevens naar voren. Zo vertelt de neerlandicus Ludo Jongen, die in Heiligenlevens een aantal heiligen uit het Nederlandse taalgebied heeft bijeengebracht, hoe de moeder van de Friese Sint-Liudger op het nippertje van de dood werd gered. Haar ouders waren christenen, maar haar grootmoeder niet, en in de familiespanning die dat veroorzaakt moet hebben besloot de laatste haar als baby om te brengen. Dat mocht volgens de heidense wetten, zolang een zuigeling nog geen voedsel tot zich had genomen. Maar een vrouw hoorde op tijd het huilen van de baby en smeerde het mondje in met honing die door het kind direct werd opgelikt. Van een straffeloze moord kon nu geen sprake meer zijn en de duivel droop na deze juridische truc teleurgesteld af.

Ludo Jongen vertelt de 38 door hem verzamelde heiligenverhalen na in hun eigen stijl en denkwereld. Voor hem zijn het allereerst literaire monumenten, terwijl Van der Linden in zijn op feiten gerichte lexicon dat aspect wel kan beschrijven, maar niet kan laten zien. Dat levert een heel ander idee van een `heiligenleven' op: de heilige is niet langer een personage, maar een persoon wiens daden en deugdzaamheid onafhankelijk daarvan kunnen worden vastgesteld. Pas dan wordt de tegenstelling tussen geschiedenis en mythe een probleem.

Zaligen

Ruwweg zou je kunnen zeggen dat Van der Linden zich op een modern, en Jongen op een premodern standpunt stelt. Dat blijkt al uit de vorm van de boeken. Jongen geeft een bloemlezing, Van der Linden schrijft een encyclopedisch lexicon. De encyclopedie is een vrucht van de Verlichting, die in haar grote Encyclopédie van Diderot en d'Alembert al pretendeerde de hele menselijke kennis te hebben samengevat. Wie nu iets encyclopedisch onderneemt, stelt zich onherroepelijk bloot aan het verwijt van incompleetheid, hoezeer Van der Linden ook benadrukt dat volledigheid bij heiligen niet te bereiken is. Want niemand schijnt precies te weten hoeveel heiligen er zijn.

Hun getal is zo ongewis omdat het centralistische systeem van zalig- en heiligverklaringen pas in de twaalfde eeuw werd ingevoerd. Tot dan toe kwamen heiligen op nogal onoverzichtelijke wijze naar voren uit de plaatselijke gemeenschappen. Net zoals in de twaalfde en dertiende eeuw de theologie door geleerden als Thomas van Aquino werd gesystematiseerd, zo kreeg ook het universum der heiligen een rationele, in dit geval juridische grondslag. Heiligverklaringen werden inzet van een rechtsgeding, met verdedigers, aanklagers, deskundigen en een rechtsprekend college. En zo gaat het bij zalig- en heiligverklaringen nog steeds.

Ook dat maakt ongewild een nogal komische indruk. Hoe kun je heiligheid nu tot inzet maken van een rationele rechtsprocedure? Is dat niet typisch katholiek: half toegeven aan de moderne rationaliteit, maar tegelijk blijven vasthouden aan een glibberige irrationaliteit, met alle bizarre gevolgen van dien?

Ja, dat is typisch katholiek. De Roomse geest heeft altijd geweigerd te kiezen tussen de extremen van rede en onrede, anders dan de protestantse of moderne overtuiging, die meent dat er niets is tussen geloof en ongeloof. Het katholicisme heeft voldoende vertrouwen in de rede om er een geformaliseerd theologisch en rechtssysteem op na te houden, maar meent ook dat ze, als het erop aan komt, vaak langs de werkelijkheid schampt. Daarom laat het katholicisme principieel het ongewisse toe, en neemt de uitzondering in zijn voorschriften en morele praktijk zo'n belangrijke plaats in.

Vandaar het merkwaardige onderscheid tussen heiligen die door de hele kerk mogen worden vereerd, en zaligen wier cultus alleen plaatselijk is toegestaan. Voor het moderne gemoed is iemand nu eenmaal ófwel heilig óf niet. En vandaar ook het vreemde verschil tussen vereren en aanbidden. Het eerste mag alleen ten opzichte van God, het tweede geldt de heiligen. Ook dat is een juridisch onderscheid: aan God mag je in gebed iets vragen, aan een heilige mag je alleen vragen te bemiddelen. Voor het moderne en protestantse gemoed is dat een twijfelachtige zaak. Alsof God niet in zichzelf rechtvaardig zou zijn en je een soort kruiwagen moet hebben om bij God je `recht' te halen. Speciale begunstiging, een goed woordje door een hemelse hoveling: het klinkt allemaal naar het ancien régime, onherroepelijk van vóór de mensenrechten, die gelden voor iedereen, overal en altijd.

En inderdaad heeft het katholicisme die algemeenheid altijd een beetje gewantrouwd. Ze erkende haar wel (Gods goedheid was tenslotte het algemene bij uitstek), maar daarmee verdwenen het persoonlijke, plaatselijke en betrekkelijke niet van het toneel. Zo'n algemeenheid wordt gemakkelijk een anonieme instantie, die ver weg oordeelt zonder dat je er greep op hebt. Kijk naar de protestantse predestinatieleer, mompelden de katholieken. Het protestantisme heeft van heiligen dan ook niets willen weten. Ze tastten de enigheid van God aan en zaaiden twijfel omtrent de efficiëntie van zijn rechtvaardigheid en alomvattende wijsheid. Dat verschilt niet zo heel veel van de verwachting die de moderniteit ten opzichte van de rede koesterde. Als die eenmaal alom gevestigd was, zouden alle problemen vanzelf verdwijnen.

Corruptie

Charles Caspers vermoedt in zijn inleiding bij De heiligen dat de herlevende belangstelling voor de heiligenverering te maken heeft met een afnemend vertrouwen in maatschappelijke structuren. Wanneer het overkoepelend bestel wankelt, kan het individu alleen op persoonlijke voorsprekers nog een beroep doen. Want het algemene is onverbiddelijk. Het heeft de verzachting nodig van het particuliere, de bijzondere relatie, en de erkenning van de uitzondering die ieder concreet geval altijd weer is. Dat heeft de katholieke geest altijd erkend, maar het heeft hem ook principieel op een hellend vlak gebracht. In het slechtste geval glijdt hij af naar corruptie; in betere gevallen bewaart hij een zekere menselijkheid, omdat de realiteit nu eenmaal nooit helemaal recht en horizontaal is.

Van de voorzichtigheid en het voorbehoud waarmee het katholicisme de moderne redelijkheid heeft omarmd, zijn de heiligen misschien het beste bewijs. Ongrijpbaar, marginaal en onbestemd in hun half-mythische, soms zelfs half-heidense bestaan, vormen ze ook voor de katholieke leer een randverschijnsel. Maar kenmerkend voor het katholicisme is, dat het dat randverschijnsel vervolgens in het hart van zijn kerkelijke praktijk heeft geplaatst, als een erkenning dat rede en zekerheid mooie maar ook betrekkelijke beginselen zijn.

Wie bladert door de fascinerende inventaris die De heiligen is, raakt op dwaalwegen zonder begin of eind. Adela van Trier blijkt de grootmoeder te zijn van de heilige Gregorius van Pfarzel, en misschien was ze de zuster van de heilige Plectrudis van Keulen. Misschien: ook De heiligen weet het niet zeker. Het beweegt zich langs de rafelranden van het katholieke bestel en raakt het juist daarmee in het hart. Het is een blokkendoos om de kathedraal mee op te bouwen waarmee het katholieke denken wel vergeleken is en waarvan Thomas' Summa theologiae het gebinte vormt. Maar het is een doos vol scheve stenen.

Stijn van der Linden: De heiligen. Contact, 1174 blz. ƒ149,90

Ludo Jongen: Heiligenlevens in Nederland en Vlaanderen.

Bert Bakker, 207 blz. ƒ34,90