Breukvlak tussen twee mannen

Veel collega-historici hebben zich niet over de elfde-eeuwer Alpertus van Metz uitgelaten. Er zit dan ook weinig anders op dan woorden over hem te citeren van de man die Nederland opzadelde met het onnozel romantische, eindeloos nagekwaakte en doodgevarieerde idee dat tussen 1899 en 1901 `een breukvlak' zou hebben bestaan. Het was inderdaad de historicus Jan Romein die Alpertus `de eerste Noordnederlandse geschiedschrijver in engere zin' noemde.

Gevleugeld, dat `in engere zin'. Mooi.

Weg met erflater Jan Romein, terug naar het `engere' erf van Alpertus, die weliswaar in Metz (toenmaals Bourgondië) werd geboren, maar voor zover wij weten voornamelijk in de Betuwe heeft verkeerd, misschien wel als koster van de Walburgkerk te Tiel. Van Alpertus zijn nu de Gebeurtenissen van deze tijd vertaald. Zoals bij de meeste teksten uit die tijd (de beginjaren twintig van de elfde eeuw) hebben we te maken met de tussenkomst van kopiïsten, en die middeleeuwse overschrijvers waren soms zo eigenwijs om de dingen beter te weten dan in het origineel. Er raakte daarbij wel eens iets zoek, ook van Alpertus' Gebeurtenissen van deze tijd is het niet zeker of de integrale tekst is overgeleverd. We moeten het er mee doen, al helpt de uitgebreide, uitstekende inleiding van Hans van Rij, die de Gebeurtenissen ook vertaalde. Voor de editietechnische complicaties alsmede de historische context van de beschreven gebeurtenissen verwijs ik graag naar Van Rijs bijdrage, om wat Alpertus beschrijft beter tot zijn recht te laten komen. Want dat is prachtig.

We verplaatsen ons naar de landstreken Texandrië, Hamaland, Hattuarië, Betuwe (dat we van de huidige landkaart kennen) en Teisterbant (de landstreek waar Bilderdijk zijn wortels hinein fantaseerde). In dat typisch rivierenland met als middelpunt Tiel situeerde de werkelijkheid een schitterend koningsdrama, al betreft het hier geen koningen maar graven. Het heeft zich hoogstwaarschijnlijk rond 1010 ontrold, maar gedateerd heeft Alpertus zelf de gebeurtenissen in zijn historie niet. Hij ging er volgens Hans van Rij vanuit dat zijn lezers zelf wel wisten wanneer een en ander plaatsvond. Tegelijkertijd is het verhaal van de vete tussen de leenmannen Balderik en Wichman, aangewakkerd door femme fatale Adela, een thema van alle tijden.

Diep in hun hart willen ze hun conflicten best beëindigen – ach, ze zijn zo slecht nog niet, Balderik en Wichman. De koning van dienst prest ze ertoe elkaar een hand te geven, alles lijkt voorbij en Wichman gaat op bedevaart naar Rome. Daar begint het duivelswerk van Adela, nota bene Wichmans dochter, die in Balderik een tweede echtgenoot vond. We weten al van haar `dat ze een lichtzinnig karakter had, van losse zeden was, te luid praatte, wulpse taal uitsloeg en even harmonisch gekleed ging als ze van binnen losgeslagen was'. Alpertus laat het er niet bij: `Die vrouw die na de dood van haar eerste man openlijk een liederlijk leven had geleid en zich had gegeven aan ieder die haar begeerde en zich zoals de heilige apostel zegt langdurig aan uitspattingen had overgegeven.'

Arme Balderik, vechten kan hij, maar hij is een schaap in haar handen. `Zoals Jezabel Achab, zo heeft ook die vrouw van Balderik altijd tot schanddaden opgehitst door hem adviezen te geven die hij tot zijn eigen verderf opvolgde, tot hij door allen werd verfoeid en gehaat.' Zegt Alpertus, duidelijk verontwaardigd door deze Messalina, van wie we tot overmaat nog vernemen dat `ze tegen haar huispersoneel zo hard optrad, dat ze voor een licht vergrijp sommige verbande, anderen neus en oren liet afsnijden en het aardse leven voor hen afschuwelijk maakte.' Zoals Alpertus aan Achabs Jezabel denkt, zien wij Macbeths echtgenote: twee huwelijken waarin een vrouw als een hartsvanger de (bloed-)broek aan heeft. Een twaalfde-eeuwse, IJslandse tekst als Njáls Saga vertoont een overeenkomstige broek. Ook hier een soort Adela, die met haar achterklap en achterbakse daden breukvlak en scheurmakerij in een oude vriendschap vertegenwoordigt, met alle terminale gevolgen van dien.

Hield Alpertus niet van vrouwen? Ik vraag me liever af of hij soms plezier heeft gekregen in zijn drama, en met alles wat hij als middeleeuws monnik in zich had de realiteit heeft opgewerkt tot Macbeth-proporties. Helemaal onbewust was dat niet: `Het lijkt wel of ik in bijna iedere zin een oorlog tegen haar begin'. Een mooie draai volgt echter: `Ik voel me tegen wil en dank gedwongen ordelijk uiteen te zetten wat er over haar wordt verteld.'

Of het waar en ordelijk is of niet, Alpertus' Gebeurtenissen van deze tijd bevat afgezien van een levendig vertelde, aangrijpende variant van een klassiek koningsdrama ook als het om andere gebeurtenissen gaat fraaie beelden en schitterende anekdotes. Want hoe apocrief of onwaarachtig ook, als Alpertus beschrijft hoe de Friezen zich na een gewonnen slag op de gesneuvelden storten, alle lijken de kleren uittrekken tot en met een lapje ter bedekking van de schaamdelen, vertelt hij: `Over deze slachtoffers wordt verteld dat een aantal lijken, die vanwege de stank door de bewoners van de streek ver in de rivier waren geworpen, door vogels, wilde beesten en zeedieren, die toch al zo belust zijn op lijken van mensen, ongeschonden en onaangetast zijn gelaten. En toen ze door het getij weer op de oever aanspoelden, was hun witte glans over een afstand van twee mijl of nog meer zichtbaar. Het was alsof de oever met sneeuwwit lijnwaad was bespannen.'

Wichman op instigatie van Adela vermoord, Balderik in het ziekbed gebleven. Gunt Alpertus zijn Lady Macbeth nog een sneeuwwit doodsgewaad? Nee. Alpertus liet haar verdwijnen in het breukvlak tussen recto en verso. Roemloos – verdiend – was haar einde.

Alpertus van Metz: Gebeurtenisen van deze tijd. Een fragment over bisschop Diederik I van Metz. De mirakelen van de heilige Walburg in Tiel. Vertaald en ingeleid door Hans van Rij. Uitgeverij Verloren, 95 blz. ƒ22,50