Bizarre wereld

Volgens de neuroloog Ramachandran wordt Freud ten onrechte verguisd. Drie Nederlandse deskundigen reageren minder enthousiast.

Als er in deze eeuw iemand is geweest die invloed heeft gehad op onze manier van nadenken en praten over onszelf, dan is dat Sigmund Freud (1856-1939). Wie heeft het niet af en toe over `eigenlijke motieven' en `diepere drijfveren', al dan niet naar aanleiding van een `betekenisvolle' droom? Tegelijkertijd is er in deze eeuw geen wetenschapper te vinden die meer is verguisd dan Freud. Wetenschappelijk bedrog, obscurantisme, pseudowetenschap en kwakzalverij, bedreven door een aan cocaïne verslaafd warhoofd: geen beschuldiging is de Weense zenuwarts bespaard gebleven.

Hoe zit dat? Verdienen Freuds hypothesen over het functioneren van de menselijke geest inderdaad het predikaat pseudowetenschap? De invloedrijke Indiaas/Amerikaanse neuroloog Vilayanur Ramachandran onderschrijft in zijn boek Het bizarre brein (1999) Freuds centrale idee dat we worden geregeerd door een heksenketel van onbewuste emoties, driften en motieven. Freuds denkbeelden revisited?

De historicus dr. Han Israëls deed onlangs nog een bundel opstellen over Freud het licht zien, getiteld De Weense Kwakzalver. Hij betwijfelt of Freud inderdaad heeft gezegd dat we volledig worden geregeerd door het onbewuste. ``Freud heeft gezegd dat het bewuste zich tot het onbewuste verhoudt als een ruiter tot zijn paard. Het paard is weliswaar veel sterker dan de ruiter, maar het is zeker niet zo dat de ruiter voortdurend doet wat het paard wil; hij is in staat het redelijk in bedwang te houden. Dus ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat Freud dan ook weer zou hebben gezegd dat het paard de ruiter volledig controleert, al weet je het met hem maar nooit. Hij heeft wel meer tegenstrijdige uitspraken gedaan.''

Ook de psychoanalyticus prof.dr.A. van Dantzig meent dat de steun voor Freuds ideeën vanuit neurologische hoek van weinig waarde is. ``Freud was alleen geïnteresseerd in het dynamische onbewuste dat ontstaat doordat onaangename, bewuste inhouden uit het bewuste verdrongen worden. Hij hield zich totaal niet bezig met het onbewuste waar neurologen op doelen, namelijk, het onbewuste waar we geen toegang toe hebben. Freud heeft hierover ook helemaal geen bijzondere dingen gezegd. Om hem dan juist in deze context op te voeren, als iemand met een visie die nu correct is gebleken, dat vind ik misleidend.''

De hoogleraar cognitieve psychologie prof.dr.H. Merckelbach noemt de pleidooien van neurologen voor de ideeën van Freud bedrieglijk. ``Ik snap niet dat iemand als Ramachandran dit soort dingen zegt. Het idee van onbewuste driften en motieven is namelijk sowieso absolute nonsens. Daar is immers al heel veel onderzoek naar gedaan. Bijvoorbeeld door stimuli onder de waarnemingsdrempel aan te bieden, en dan te kijken in hoeverre dit bijvoorbeeld het gedrag van de waarnemer beïnvloedt. En dan blijkt dat die onbewuste informatieverwerking heel dom is en ook hele korte temporele karakteristieken heeft, hooguit van een paar seconden. Dus het idee dat er een onbewuste zou zijn dat wordt bevolkt door allerlei interessante motieven en conflicten en dat dit ons gedrag zou bepalen, ook op de langere termijn, daar is geen ènkele evidentie voor.''

Tot zover het onbewuste. Maar hoe wordt er thans gedacht over Freuds `Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie' (1905) en het ermee samenhangende oedipuscomplex?

Israëls: ``Er is allerlei onderzoek naar het oedipuscomplex gedaan. Als Freudianen het deden, dan was er steevast allerlei evidentie voor, waren het anti-Freudianen, dan werd er geen spoor van bewijs voor gevonden. Hoe dan ook: ik denk niet dat het oedipuscomplex de tand des tijds heeft doorstaan. Het allermerkwaardigste is misschien nog wel dat Freud het oedipuscomplex op een gegeven moment bij zichzèlf ontdekte. Vervolgens trok hij hieruit de conclusie dat heel de mensheid er dus mee moest worstelen.''

Van Dantzig: ``Ik denk dat de meerderheid van de psychoanalytici nog maar weinig met al die seksueel getinte betekenissen doet. Al is het in psychoanalytische kringen nog steeds not done om hardop te zeggen dat al die seks onzin is. Het accent in de psychoanalyse is gaandeweg komen te liggen op de relatie van het kind met zijn ouders die als belangrijk voor de latere ontwikkeling wordt gezien. En dat lijkt me heel plausibel. Als de hoeksteen van de psychoanalyse zie ik echter Freuds ontdekking dat mensen hun gevoelens veranderen als de werkelijkheid onverdraaglijk wordt. Dat is een fundamentele ontdekking over de mens. Zie het voorbeeld van het mishandelde kind dat zichzelf de schuld geeft, om zo nog ergens bij te horen. Dat soort samenhangen vind ik dagelijks bij mensen, en ik denk dat ik de grootste sceptici daarvan zou kunnen overtuigen, als ze er kennis van zouden willen nemen.''

Merckelbach: ``Los van de evidente nonsens die Freud over het oedipuscomplex heeft verkondigd, voorspelt zijn theorie dat als we heel erge dingen in onze jeugd meemaken het slecht met ons afloopt. Maar hoe zit het dan met al die mensen die vreselijke dingen hebben meegemaakt, maar met wie het heel redelijk gaat? En, omgekeerd, hoeveel mensen zijn er niet die een heel aardige jeugd hebben gehad, maar die volledig gek zijn geworden? Kortom: er bestaat geen rechtstreeks verband tussen een beroerde jeugd en je latere leven. Ook ten aanzien van die verdringing, in de betekenis van het verdringen van egobedreigende zaken; ook daarvan blijkt in de praktijk dat mensen dat helemaal niet doen. Is je in je jeugd iets afschuwelijks overkomen, dan herinner je je dat voor de rest van je leven.''

Tot zover Oedipus. Maar waar komt dan die brede fascinatie voor Freud vandaan?

Israëls: ``Mijn persoonlijke fascinatie is dat je van die hele rare dingen in zijn werk en brieven vindt. Ik bedoel: je zou toch zeggen dat iemand die zo z'n stempel heeft gedrukt op onze tijd, heel voortreffelijk en briljant moet zijn. Bij Freud vindt je echter zóveel onzin. Het loopt werkelijk de spuigaten uit. Dat is op zich al fascinerend. En dan heb ik het nog niet eens over de psychoanalytici, die hem maar blijven verdedigen of alle deuren op slot doen; het is echt een heel bizarre wereld waar je als onderzoeker in terecht komt.''

Van Dantzig: ``Ik denk dat de fascinatie voor Freud in eerste instantie voortkwam uit het feit dat het vaak over seks ging. Ineens kon over seks gedacht en gepraat worden. We hebben er later zelfs een naam voor bedacht: seksuele revolutie. Voorts hield hij zich bezig met het innerlijke leven van de mens. Daardoor voelen heel veel mensen zich door hem aangesproken. Laten we in dit verband niet vergeten dat neurotische klachten wijd verbreid zijn. Toen de psychoanalyse op een gegeven moment door de RIAGG's werden aangeboden, stroomden er honderdduizenden mensen met neurotische klachten toe. Dat zegt toch wel iets over de relevantie van het probleem waarmee Freud zich heeft beziggehouden.''

Merckelbach: ``Ik denk dat de fascinatie voor Freud te maken heeft met een romantische opvatting over ons geestesleven. Stel: iemand vertoont dwanggedrag; hij staat tien uur per dag onder de douche. En je stelt aan een willekeurige persoon de vraag waardoor dat komt: door een serotonineverschuiving in het brein of door vroegkinderlijke ervaringen. Het antwoord laat zich gemakkelijk raden: door die vroeg-kinderlijke ervaringen natuurlijk. Want zo'n douche heeft iets heel betekenisvols. Dit type dwanggedrag vraagt derhalve om heel ingewikkelde duidingen. We lijken eenvoudig niet te kùnnen accepteren dat het wel eens om iets betrekkelijks eenvoudigs zou kunnen gaan, namelijk die serotonineverschuiving. Zo'n ogenschijnlijk eenvoudige en mechanistische verklaring laat zich slecht rijmen met het beeld dat we van onszelf hebben, namelijk dat van complexe en vooral unieke wezens.''

Tot zover de fascinatie. Maar hoe komt het dan dat Freuds ideeën zo'n een enorme invloed op onze manier van denken hebben gekregen?

Israëls: ``Een beetje ironisch zou je kunnen stellen dat Freud in één opzicht gelijk heeft gehad: we zijn veel minder rationeel dan we denken en dus geneigd tot de vreemdste ideeën, waaronder die van Freud. Over de vraag naar het waardóór van zijn invloed, zijn boekenkasten volgeschreven. Een van de grootste Freudkenners, Frank Cioffi, heeft ooit gezegd dat dit in wezen ook de belangrijkste vraag is: hoe is het in godsnaam mogelijk dat iemand met zulke bizarre ideeën zoveel invloed heeft gehad. Wat mij betreft zijn er nooit overtuigende antwoorden op gevolgd. Heel in het algemeen kun je zeggen dat Freuds theorie aanvankelijk vooral intellectuelen aansprak: je was te intelligent om in God te geloven, en wat is dan leuker om een volstrekt goddeloze theorie aan te hangen. En ja, al die duistere kanten van de menselijke natuur, dat hééft natuurlijk ook wel iets aantrekkelijks. Vervolgens hebben deze opinion-leaders zijn leer met grote inzet en overtuiging verder verspreid. Aan de andere kant hebben er wel meer goddelozen rondgelopen, die ook op de duistere kanten van onze natuur wezen, maar die volkomen roemloos zijn gebleven. Dus nee, een mooie sluitende verklaring voor het fenomeen Freud is er volgens mij niet.''

Van Danzig: ``Zelfs het jargon van Freud is onderdeel van de spreektaal geworden; het is cultuurbezit. Dat dit heeft kunnen gebeuren, wijt ik onder andere aan het wegvallen van de zielzorg. Daar is de psychologische zorg voor in de plaats gekomen. Dat is in zekere zin ook een a-morele zorg, het gaat niet om goed of slecht, maar om hoe het zit. `Hoe kun je dat nou doen' is vervangen door `hoe komt het dat je dat doet'.''

Merckelbach: ``Zijn volgelingen konden één ding heel goed: het grote publiek op de hoogte stellen van hun theorieën. En, vergeet niet: Freuds werk is heel toegankelijk. Neem zijn casestudies, die lezen lekker weg. Ik denk dat die toegankelijkheid er eveneens voor heeft gezorgd dat er zoveel andere wetenschappen mee aan de haal zijn gegaan, zoals de literatuurwetenschap, de pedagogie, de sociologie, noem maar op. Iedereen kon er wel wat mee. Voor de academische psychologie is dit trouwens heel tragisch geweest. Van meet af aan heeft ze getracht aan te tonen dat wat Freud beweerde überhaupt niets met psychologie te maken heeft. Maar het bleek een hopeloze strijd. De Amerikaanse psycholoog Gail Hornstein heeft ooit geschreven dat Amerikaanse psychologen van de weeromstuit zijn overgegaan tot coöptatie van Freudiaanse begrippen, in de hoop dat hun werk het grote publiek dan meer zou aanspreken. Maar het netto-effect ervan is geweest dat mensen zijn blíjven denken dat Freud uiteindelijk toch gelijk had. Tot op de dag van vandaag.''