Apocalyptisch ongemak

Koppensnellers, plunderende Noormannen, kometen en zonsverduisteringen. De apocalyptische ongemakken die burgers plaagden in het jaar 999 waren van een geheel andere orde dan de eigentijdse zorgen over de feilbaarheid van de computer. Een reportage over de vorige millenniumwisseling.

Het gedonder begint eigenlijk al een dikke tien jaar vóór de vorige millenniumwisseling. Met die wolf. Op een nacht in 988 sluipt het beest de kathedraal van Orléans binnen en luidt, tijdens de metten, tot stomme verbazing van de monniken de kerkklokken.

En het zijn waarachtig niet alleen dieren die klieren. In het Franse stadje Mâcon woont een koppensneller die maar liefst 48 mensenhoofden in zijn hut heeft. De lichamen heeft hij, door honger geplaagd, opgegeten. Kannibalisme is trouwens wijdverbreid. Op de markt van het iets noordelijker gelegen Tournus is kant en klaar gekookt mensenvlees te koop.

De gebeurtenissen zijn vastgelegd door de in het jaar 980 in Bourgondië geboren Benedictijner monnik Rodulfus Glaber. Op 45-jarige leeftijd begint hij aan een eigentijdse geschiedschrijving die uiteindelijk de vijf boeken van zijn Historiën zal beslaan. Glaber is `millennium-ervaringsdeskundige' en een van de voornaamste `monastieke reporters' uit die periode, zoals de Utrechtse hoogleraar geschiedenis van het christendom, Willemien Otten, het noemt.

De Franse monnik gebruikt het jaar 1000 als markeringspunt omdat dit jaartal volgens hem door de mensen met angst en beven tegemoet werd gezien. Na het voltooien van duizend jaren, zo leerde de Bijbel, zou satan immers worden losgelaten.

In Openbaring, het laatste Bijbelboek, staat in hoofdstuk 20: `Daarna zag ik uit de hemel een engel komen met in zijn hand de sleutel van de afgrond en een grote ketting. Hij greep de draak, de oude slang, dat wil zeggen de duivel of satan, en ketende hem voor duizend jaar.' Na die periode trekt de duivel erop uit en zal iedereen `dag en nacht en voor altijd en eeuwig gepijnigd worden.'

Glaber wist maar al te goed wat dat betekende. De monnik had satan immers een keer persoonlijk ontmoet: hij dook op aan het voeteneinde van Glabers bed. Uit het portret blijkt dat de duivel `opgezwollen lippen heeft, een wijkende en spitse kin, sikje, oren die harig en puntig waren, haren die rechtovereind stonden en ongekamd waren, hondetanden, een puntig achterhoofd, een opgezette borst, bochel op de rug en trillende billen.'

Het leven was in die tijd kommer en kwel, blijkt uit de geschiedschrijving die Glaber heeft nagelaten. `Na verloop van tijd nam de ellende die toen de mensheid beheerste, perverse vormen aan. De gekmakende honger bracht mensen ertoe mensenvlees te eten. Reizigers werden ontvoerd door personen die steviger waren uitgevallen dan zij, hun ledematen werden afgesneden, gekookt en verslonden. (..) Op vele plaatsen werden lijken uit de grond gerukt die eveneens dienden om de honger te stillen.'

Er bestaat onder deskundigen geen eensgezindheid over de vraag hoe de woorden van Glaber precies dienen te worden begrepen. Vast staat dat Glaber enige overdrijving niet schuwde. Zijn schrijven diende namelijk om de mensen aan te zetten tot boete en bekering. Voordat het te laat was. `Het enige redmiddel tegen de wraak van god is tot inkeer komen', noteert hij.

Toch zijn de verhalen van Glaber ,,niet alleen maar religieuze propaganda'', concludeert hoogleraar Otten. ,,Hij grijpt het jaar 1000 bewust aan om een zeer typerend beeld van zijn tijd neer te zetten, ook al is het niet altijd even waarheidsgetrouw.''

De voornaamste schriftelijke bronnen uit die periode zijn trouwens bijna exclusief werken van monniken zoals Abbo van Fleury, Adso van Montier-en-Der, die de figuur van de Antichrist populariseerde, en Ademar van Chabannes. En ook al zijn monastieke teksten niet altijd letterlijk te nemen, de auteurs waren volgens Otten niet per se onbetrouwbaar. ,,Monniken leefden in die tijd minder afgesloten dan we doorgaans denken. Ze reisden veel en kwamen overal. Kloosters waren toen bovendien de laatste plekken waar de beschaving overeind bleef.''

Glaber is trouwens niet de enige chroniqueur die veelvuldig melding maakt van middeleeuwse rampspoed. Ook in Nederland wordt de gekmakende hongersnood beschreven. In het jaar 1006 zijn `hongersnood en een zeer ernstige sterfte over de gehele wereld gekomen zodat op veel plaatsen vanwege het grote aantal gestorvenen en door de weerzin van de doodgravers, mensen die nog ademhaalden, al verzetten zij zich ook met hun laatste krachten, samen met de doden werden begraven.''

Het incident staat vermeld in het boek Gebeurtenissen van deze tijd, geschreven door de monnik Alpertus van Metz. In het begin van de jaren twintig van de elfde eeuw heeft hij nauwgezet het dagelijks leven beschreven zoals zich dat in de omgeving van zijn vermoedelijke verblijfplaats Tiel afspeelde.

Het westen van Nederland is in het jaar 1000 niet veel meer dan één groot Biesbosch-achtig gebied. Er is leven in steden als Utrecht, Vlaardingen, Zutphen en in streken als de Veluwe en de Betuwe rondom Tiel. De grootste Nederlandse stad is waarschijnlijk Deventer, met zo'n drieduizend inwoners. Administratief vallen de Lage Landen onder het hertogdom Lotharingen dat sinds 925 – tot 1648 – deel uitmaakt van het Duitse rijk.

De voor Nederland belangrijkste bestuurders zijn in het jaar 1000 Keizer Otto III en de intellectueel Gerbert van Aurillac die in 999 benoemd werd tot Paus Sylvester II. De twee gezagsdragers werken samen aan het herstel van het Romeinse rijk op christelijke grondslag.

In Nederland trekken in die periode de Noormannen plunderend, verkrachtend en brandschattend rond. Rond de millenniumwisseling is de komst van Noormannen, die uit Denemarken afzakken, overigens een afnemend verschijnsel. Alpertus van Metz zag in 1006 waarschijnlijk een van de laatste Scandinavische veroveringstochten. ,,Met een talrijke vloot verschenen plotseling zeerovers van veraf gelegen eilanden in de oceaan. Met grote snelheid zijn ze de Merwede opgevaren tot voor de handelsplaats Tiel.''

De bevolking zette het op een lopen en liet al het bezit na aan de `barbaarse vreemdelingen'. De Noormannen trokken in Tiel ongehinderd de Sint-Walburgskerk binnen en roofden de misgewaden. Ook plunderden ze het altaar. `De nederzetting Tiel werd platgebrand en alleen de kerk bleef gespaard.' In de Tielse kroniek staat ook 1007 vermeld als een jaar waarin de stad `andermaal door zeerovers en Denen in brand werd gestoken en geplunderd.'

Hooguit enige tienduizenden mensen – voornamelijk boeren – leefden er in het jaar 1000 in Nederland. Ter vergelijking: in heel Europa woonden zo'n 35 miljoen mensen met als grootste stad het Spaanse Cordoba dat meer dan 400.000 inwoners telde.

Alpertus weet zich in Tiel vooral omgeven door `ruwe lieden' die `geen enkele tucht gewend zijn. (..) Vroeg in de morgen houden ze drinkgelagen, en wie daar dan met de luidste stem smerige praatjes uitslaat om het domme volk aan het lachen te maken en aan te sporen om wijn te drinken, oogst grote lof bij hen.'

De eigentijdse omgangsvormen blijken ook uit een verhaal waarin de straftoemeting in het geval van moord wordt behandeld. Alpertus schrijft hoe Franse bisschoppen `de gewoonte hebben degenen die tot boetedoening veroordeeld zijn, zware stenen met ijzeren banden om de nek te hangen, een ijzeren gordel om 's mans middel te bevestigen of ijzeren banden om zijn armen vast te maken. Met een brief waarin hun misdrijf beschreven staat, sturen ze hen dan langs diverse plaatsen. Het doel van die straf is dat zij door schaamte worden gepijnigd en anderen schrik aanjagen voor het begaan van zo'n misdaad.'

Ruw was doorgaans ook de lichaamsgeur. Een bad nemen, werd beschouwd als een decadente bezigheid. De journalisten Lacey en Danziger, die in het boek The Year 1000 het alledaagse leven in Engeland schetsen, beschrijven een niet nader aangeduid klooster waar de aangesloten monniken verplicht waren vijf keer per jaar in bad te gaan. Een voorschrift dat algemeen als een wel erg fanatiek hygiënische maatregel werd beschouwd.

De mensen namen het niet zo nauw met de persoonlijke verzorging. Opgravingen van de ontlasting suggereren dat mensen – die mos gebruikten als toiletpapier – permanent aan de diarree waren. Vliegen hadden vrij spel: ze vlogen van de latrine die bij de achterdeur stond naar de keuken en terug. Viel voedsel tijdens de maaltijd op de grond, dan werd het rustig weer opgepakt. Vervolgens sloeg de, sterk bijgelovige, middeleeuwer een kruis over het eten om het risico van eventuele infecties met hulp van de Heer tot een minimum te beperken.

Het leven had in die periode de overzichtelijkheid van dat van een dierenbestaan. Mensen werden geboren, leefden veelal op dezelfde plek, jaagden op voedsel, plantten zich voort en gingen dood. Mannen haalden als ze mazzel hadden een leeftijd van zo'n 47 jaar, een paar jaar meer dan vrouwen.

Een nadere reconstructie van het alledaagse bestaan valt behalve uit de monastieke geschiedschrijving, ook te maken met hulp van allerlei praktische lectuur. Lacey citeert uit een Engelse medicijnengids – het bloedzuigerboek – waarin gedetailleerd staat voorgeschreven hoe kwalen kunnen worden genezen. Spinnenbeten dienen te worden behandeld met gebakken stukjes zwarte slak. Pijn in de rug reageert goed op de rook die ontstaat bij het verbranden van geitenhaar en kaalheid behoort tot het verleden als je een zalfje van de as van verbrande bomen op de kruin smeert.

De middeleeuwer kende ook een eigen variant van de viagra-pil. Een bepaald soort geel bloemenkruid hielp om haperend liefdesleven te verbeteren. Overigens was het hebben van seks een activiteit die aan strenge morele voorschriften was gebonden, zo blijkt uit de uitvoerige boeteboeken die als handleiding dienden voor de biechtvader.

Alleen natuurlijke seks was toegestaan. Dat wil zeggen seks mocht enkel tijdens het huwelijk ten behoeve van de voortplanting geschieden en alleen in missionarispositie. Te veel lust was een zonde. Seks bij daglicht, tijdens menstruatie, zwangerschap en op zon- en feestdagen was eveneens ongeoorloofd.

Door ook zoveel mogelijk limitatief op te schrijven wat onnatuurlijke seks was, ontstonden eigenaardige geschriften. Ook de boetes op het begaan van zonden werden vermeld. En de straffen waren bepaald niet kinderachtig. Als een priester betrapt werd op het hebben van een seksuele relatie met een vrouw dan moest hij een boete betalen. De vrouw werd levend verbrand.

Of de middeleeuwer zich er in het jaar 999 van bewust was dat een nieuw millennium op aanbreken stond, is een kwestie waar historici tot op de dag van vandaag over strijden. In de negentiende eeuw waren de deskundigen het erover eens dat de mensen destijds gebiologeerd werden door apocalyptische verwachtingen. Bezittingen werden verkocht, ridders verlieten het slagveld en iedereen dromde samen in kerken of vertrok op bedevaart naar Jeruzalem om het Laatste Oordeel af te wachten. De machthebbers, bang voor de zielenrust, gaven grote stukken land aan de kerken.

Er heerste dan ook grote opluchting en dankbaarheid toen eenieder de millenniumwisseling ongehavend doorkwam. `De wereld bedekte zich met een witte mantel van kerken', constateerde monnik Glaber in 1003 verheugd.

Later werd dit beeld van bibberende biddende mensen als te romantisch en onjuist van de hand gewezen. Historici concludeerden dat de jaarwisseling in 999 volstrekt geruisloos moet zijn gepasseerd. Voor zover mensen bang waren, kwam dit doordat de middeleeuwer in een permanente staat van apocalyptische angsten leefde. Bovendien wisten de mensen – de spaarzame intellectuelen uitgezonderd – niet in welk jaar ze leefden. Je kunt geen millenniumvrees hebben als je de dag niet kent, zo werd de gangbare leer.

De Amerikaanse historicus Richard Landes, directeur van het Centrum voor millenniumstudies in Boston, vindt beide opvattingen te simplistisch. Mensen waren volgens hem wel bevreesd voor het aanbreken van de nieuwe tijd. De kennis van de jaartelling was ook wel degelijk wijdverbreid. Dat er nauwelijks documenten zijn die aantonen dat de middeleeuwer de apocalyps vreesde, komt volgens hem doordat ze uit schaamte zijn vernietigd toen bleek dat de wereld ook na duizend jaar uiteindelijk gewoon doordraaide.

Hoogleraar Otten deelt de opvatting van Landes dat historici tot voor kort wat al te resoluut uitsloten dat de middeleeuwer het vorige millennium ontging. ,,Het is plausibel dat er in ieder geval in monastieke kringen iets van een verwachting van de eindtijd leefde. Dat men daar mee bezig was. Al werd de chronologie van de gebeurtenissen niet zo digitaal beleefd als nu wanneer mensen op oudejaarsavond om twaalf uur 's nachts niet in het vliegtuig willen zitten. Dat was toen minder aan de orde.''

De Nederlandse historicus Ton van Doorn ziet `geen ondergangsspektakel in het jaar 1000.' Hetgeen niet wegneemt dat `het angstzweet de middeleeuwer af en toe uitbrak', aldus Van Doorn in zijn boek Apocalyps toen!, waarin hij de vraag wil beantwoorden `of de Lage Landen in de ban waren van het aanstaande godsgericht.'

De angst voor de dag des oordeels is volgens hem niet terug te brengen tot een bepaald jaar, maar wel tot een zekere periode. `De apocalyptische vroomheid werd in de jaren 980-1033 (toen Jezus duizend jaar dood was, mh) in West-Europa groter', concludeert Van Doorn. `De godsvredebeweging, de ketterijen, het groeiend aantal boetelingen, de pelgrims en de heremieten (kluizenaars, mh) wijzen op een toenemend besef te leven in een eindtijd. In sommige perioden van de middeleeuwen was het eschatologisch bewustzijn (het besef dat het einde naderde, mh) nu eenmaal wat sterker dan in andere tijdvakken. Zoals een middeleeuwer de ene dag meer last had van luis dan de andere.'

Of monniken gezellig bijeen in de refter rondom een schaal dampende oliebollen en hardop aftellend – `tien, negen, acht...' – de jaarwisseling van 999 hebben gevierd, is trouwens hoe dan ook onwaarschijnlijk. Oudjaar viel per regio op een verschillende dag. In sommige streken begon het nieuwe jaar met kerstmis, soms met pasen en ook wel op Maria Boodschap: 25 maart.

Bovendien zijn de eerste recepten voor het bakken van oliebollen pas aangetroffen in kookboeken uit de zestiende eeuw, zegt mediëviste Marietje van Winter, deskundige op het gebied van de middeleeuwse keuken. De oliebol heet dan oliekoek. De vroege middeleeuwer beschikte overigens wel over de ingrediënten voor het maken van oliebollen: rozijnen, graan om deeg te maken en olijfolie om te bakken. Alleen (poeder)suiker had Europa – het zuiden van Italië uitgezonderd – nog niet bereikt.

Leeslijst voor de liefhebber:

`Alpertus van Metz, Gebeurtenissen van deze tijd', vert. Hans van Rij, Uitg. Verloren. `Apocalyps Toen! Een geschiedenis van het jaar 1000' door Ton van Doorn, Walburg Pers. `The Year 1000' door Robert Lacey en Danny

Danziger, uitg. Little Brown & Co. `The Last Apocalypse. Europe at the year 1000' door James Reston Jr., Doubleday. `Het einde nabij? Toekomstverwachting en angst voor het oordeel in de geschiedenis van het christendom' door

Clemens, Otten en Rouwhorst, uitg. Valkhof Pers.

Na het voltooien van duizend jaren zou satan worden losgelaten

De middeleeuwer leefde in permanente apocalyptische angst