Aangespoeld

Een onontloopbare traditie is het om met de millenniumwisseling wat vooruit te blikken en terug te zien, de eigen plaats te bepalen in de ontwikkeling van de mensheid of de gang der historie, enz. Vandaag gemakshalve alleen de terugblik en niet verder terug dan een jaar of vijftig, dan hoeft er niets opgezocht te worden.

Een geheugenoefening die ook bruikbaar is voor vastlopende kerstdiners, stroperige oudejaarsavonden en wat zich nog meer voordoet dat langer duurt dan leuk is: opnoemen welke paden wetenschap en techniek de laatste vijftig jaar stilletjes verlieten, niet omdat ze te glad of moeilijk waren, maar omdat ze volkomen de verkeerde kant opgingen zoals eigenlijk al direct was duidelijk geweest als er iemand had opgelet. Wat overkwam de `babyboomer' op zijn reis naar het eind van de eeuw dat de zuigeling van nu straks onbegrijpelijk zal vinden? Luister naar lukrake voorbeelden.

De babyboomer die met de eerste geboortegolf op Neerlands vlakke strand sloeg, zag zijn amandelen en blinde darm net zo makkelijk in de pedaalemmer verdwijnen, als daar nu het te ruime vel van de rijpere vrouw in glijdt. (De Amerikaanse babyboomer zag er de voorhuid achteraan gaan: hygiënisch!) Aldus geknipt en geschoren belandde hij in klassen waar hij, als-ie niet met zijn ongelukkige kroontjespen aan de gang moest, de godsgansedag met de armen stijf over elkaar zat. Brak er in de overvolle lokalen een epidemie van hoofdluis uit, dan gingen er briefjes mee naar huis en werd het haar met petroleum gewassen. Niet met lysol, want dat was voor de hond als die vlooien had, zoals de legkip met verenluis DDT-poeder in haar nest kreeg. Muggen werden bestreden met Esso's Flit, (whatever dat was, maar zeker niet afbreekbaar), motten met kamfer. Niemand kwam op de gedachte dat de middelen meer deden dan ongedierte bestrijden, niemand vroeg zich af waar de DDT uiteindelijk blijven zou. Op de zuidpool, weten we nu.

Het was wederopbouw, de chemie had de toekomst. De kolonie grote sterns tegenover Hoek van Holland werd ervoor platgeslagen en van een industriële vestiging niet ver daar vandaan trok weldra, met fiat van Rijkswaterstaat, een gulle stroom overgeschoten pesticiden recht op de kolonie sterns af die nog wel bestond. En wat er bij Pernis niet aan overtolligheden in de Waterweg liep, ging in stalen vaten naar de polder Gouderak. Zee en bodem golden als volstrekt veilige eindbestemmingen, ja zelfs de Amstel werd al groot genoeg gevonden om er het afval van de geurstoffenfabriek Maschmeijer vrijelijk in te laten wegstromen. Omwonenden ergerden zich soms aan de dode katten en honden langs de Amsteloever, het lokale hoogheemraadschap liet zich vermurwen door het werkgelegenheidsargument.

Dat laatste heeft tot eind jaren tachtig geduurd. Toen was aan de zogenoemde deep-well-lozing van een andere geurstoffenfabriek, die zijn afval vlakbij Nederlands beroemdste natuurreservaat in de diepe ondergrond spoot, waarschijnlijk al een einde gekomen. Een compromis was die lozing geweest, want liever liet de fabriek het afval gewoon in een naburig meertje lopen.

Het was een sfeer van aanpakken en niet zeuren, een beetje zoals nu rond beide mainports en die beoogde spoorlijnen: je kunt geen omelet bakken zonder eieren te breken. Chemofobie kwam pas later, toen aan het einde van de jaren zestig opeens alles wat naar `technocratie' en `autoriteit' rook verdacht was. Tien jaar eerder verstrekte de Eternit-fabriek in Goor, op aanvraag, nog zakjes poedervorming asbest-cement waarmee leerlingen van een lagere school desgewenst zelf een vuurvast asbakje konden boetseren. Bij scheepsbouwer en asbestverwerker De Schelde begonnen de longklachten zich inmiddels op te stapelen.

Toen de babyboomer opgroeide waren `zware metalen' nog voornamelijk wat ze waren: zwaar. Lood als grondstof voor witte verf en glazuur had afgedaan, maar overigens werd het goedje nog volop toegepast of in bedrijf gehouden: als loodslab tegen het inwateren en als roestvaste leiding voor het drinkwater. En, ongelukkig genoeg, als antiklopmiddel in de benzine. Vanuit de auto-uitlaat reisde het naar die eenzame plaatsen waar de DDT al eerder aankwam: Groenland en Antarctica.

Ook radiofobie, de angst voor straling, ontwikkelde zich pas toen de geboortegolver de baard al ver in de keel had. Zo groot kon het ontzag voor nucleaire straling, waarvan het effect al door de familie Curie was aangetoond, niet zijn of er werd nog met gretigheid radium aangebracht in lichtknopjes, wekkers en horloges. Ook de röntgenstraling kwam, om het zo eens te zeggen, pas laat in de verdachtenbank. De babyboomer werd jaarlijks aan een röntgen-borstonderzoek onderworpen, voor de dienstplichtige was het roboën lange tijd een nog frequentere tijdpassering. En het bleef in de jaren vijftig niet bij borstonderzoek. Wie zo gelukkig was een moderne schoenmaker in de buurt te hebben, kon ook de voeten aan de x-stralen blootstellen: kijken of de nieuwe schoenen passen. De echte babyboomer kent de botjes van zijn voet als zijn broekzak.

Begin jaren zeventig woei de angst voor ultraviolette straling het land binnen. Voor de babyboomer was dat twintig jaar te laat, hij had zich in kindertijd en adolescentie aan zee en strand laten verbranden tot de vellen erbij hingen, want de jaren dertig hadden een onwrikbaar geloof in de heilzame werking van het zonnebad gevestigd. Wie 's zomers zon was tekort gekomen maakte dat 's winters goed onder de hoogtezon.

Opeens dreigde een teveel aan uv-straling omdat de cfk's, de freonen, uit spuitbus en koelkast de ozonlaag aantastten. Voor de waardering van het gas brak een chaotische periode aan: nog maar net was duidelijk geworden dat het een giftig gas was dat in geval van `zomersmog' de gezondheid en de plantengroei aantastte, of het moest weer worden omgedraaid: ozon was goed.

De babyboomer dacht er het zijne van. Hij herinnerde zich de scheikundeles waarbij ozongas werd geproduceerd met behulp van een toestel dat lange tijd ook voor de particulier te koop was: de ozonisator. De ozonisator liet het huis net zo fris ruiken als de tuin na een flinke onweersbui. Na lang nadenken komt hij zelfstandig tot het volgende besluit: als ik voortaan een hoogtezonnebad neem zet ik ook de oude ozonisator aan.