Zeereis (1)

Tijd voor een onorthodox kerstverhaal in twee delen. We gooien een blok hout op het vuur in de open haard, nemen het bord met wildbraad op schoot en nodigen een interessante verteller in onze kring uit.

Hij heet Rob Biersma, is 51 jaar en eindredacteur van de Achterpagina. Biersma keerde onlangs terug van een vijf weken durende zeiltocht, die voor hem op de Canarische eilanden begon en in Recife, aan de oostkust van Brazilië, eindigde. De tocht werd ondernomen in een tweemaster van 13 x 4,5 meter, een redelijk groot jacht, maar een notedop op die onmetelijke Atlantische oceaan. Vijf weken lang op zee, in een kleine ruimte met vier andere mensen (twee mannen, twee vrouwen) – hoe gaat dat, en waarom doet een mens dit zichzelf aan?

Het heeft sterk te maken met het geheim van zeilen, zegt Biersma. Zodra hij op het water zit, voelt hij zich prettiger, alsof er een last van hem afvalt. Als het schip eenmaal zeilt, ontstaat er een licht gevoel van zweven in zijn hoofd. Het is een fysieke gewaarwording met een sterke mentale uitwerking: de dagelijkse zorgen verdampen. Het is al bij een simpel tochtje het geval, laat staan bij zo'n letterlijk oeverloze reis.

Nee, al die weken heeft hij niets van verveling of geestelijke moeheid gevoeld. De taken die je op zo'n schip moet verrichten zijn peanuts vergeleken met de problemen van het dagelijks leven. Angst voor een ramp? Geen seconde. Natuurlijk, zo'n schip kan vergaan, maar dan is er altijd nog een reddingsvlot. Bovendien is er de epirb, een soort elektronische dobber met het uiterlijk van een kruimeldief, die zich van het schip losmaakt zodra het zinkt en signalen aan de kustwacht doorgeeft.

Geen angst dus. Gevoelens van eenzaamheid en verlatenheid dan? Valt reuze mee. 's Nachts bijvoorbeeld, als je in je eentje wachtloopt, dan zijn er de sterren. Die zijn zó fantastisch scherp te zien, zoveel helderder dan op het vasteland. Er is geen stof en het licht kan dus ongehinderd schijnen, ook 's nachts, zelfs als er geen maan is. Het geeft je een kick. Later, als je terug bent in de grote stad, merk je pas hoe vies de lucht er is.

Er is op zo'n zee ook veel meer te zien dan wij denken. Er zijn de vogels, voooral de stormvogeltjes en de pijlstormvogels – de laatste zijn superieure zwevers, balancerend op de lucht boven een golf. Uren kon hij ernaar kijken. Dan zijn er de vliegende vissen, zo groot als een haring, die voortdurend je blik vangen. En wist ik dat er ook midden op de oceaan zoveel dolfijnen op je afkwamen? Onder dolfijnen heb je in zijn terminologie `scheepszoekers' en `scheepsmijders'. De `scheepszoekers' willen een halfuurtje gezelligheid, jolig buitelend over de golven rollen ze op je af. Dan verdwijnen ze weer in die eindeloze oceaan, helemaal alleen, het is bijna sneu.

Drie uur op, negen uur af, dat was vijf weken lang het ritme van zijn etmaal. Slapen deed je in een halve waaktoestand. Het wende snel, al had hij vaak de onbeschrijfelijke behoefte om zijn benen te strekken. Dat kon niet, want de benen van een andere kooibewoner kruisten de zijne.