VN-structuur leidt tot herhaaldelijk falen

In het onlangs verschenen rapport over de volkenmoord in Rwanda worden behalve de daders ook de VN en hun lidstaten veroordeeld.

J.H. Sampiemon meent dat de VN iedere keer opnieuw in dezelfde valkuil zullen trappen als zij geen reorganisatie doorvoeren.

Wij allen moeten het bitter betreuren dat wij niet meer deden om het te voorkomen. Er was destijds een VN-macht in het land, maar zij had geen mandaat en was niet uitgerust voor het soort krachtige actie dat nodig zou zijn geweest om de genocide te voorkomen of te stoppen. Namens de Verenigde Naties erken ik dit falen en geef ik uiting aan mijn diepe spijt.''

Secretaris-generaal Kofi Annan in een reactie op het onafhankelijke onderzoek naar de acties van de VN gedurende de volkenmoord in Rwanda in 1994.

Bij benadering achthonderdduizend mensen werden vermoord in Rwanda in het voorjaar en de zomer van 1994. De genocide van Hutu's op Tutsi's duurde honderd dagen. ,,Rwandezen vermoordden Rwandezen, en decimeerden op brute wijze de Tutsi-bevolking van het land, maar kozen ook gematigde Hutu's als doelwit. Verschrikkelijke wreedheden werden begaan, door de militia en de strijdkrachten, maar ook door burgers tegen andere burgers.'' Dit schrijven de rapporteurs in de introductie tot hun op 15 december jongstleden gepubliceerde veroordeling van de daders, maar ook van de VN en hun belangrijkste lidstaten, die geen kans zagen het bloedbad te voorkomen of het vervolgens te beëindigen.

Niet alleen Rwandezen waren het slachtoffer, ook leden van de vredesmacht UNAMIR werden gedood, onder wie, op 7 april, tien Belgische militairen. De commandant van UNAMIR, de Canadese generaal Dallaire, vertelde later dat hij, langs Kamp Kigali rijdend waar de Belgen naar toe waren gebracht, een glimp opving van wat hij dacht soldaten in Belgische uniformen te zijn, liggend op de grond. Dallaire gaf zijn chauffeur, een Rwandese majoor, opdracht te stoppen, maar deze weigerde. Pas uren later werd hem toegang verleend tot de naar het ziekenhuis van Kigali vervoerde lijken van zijn manschappen. De moorden waren voor België aanleiding zijn contingent uit de vredesmacht terug te trekken.

Een centrale plaats wordt in het rapport ingeruimd voor het `telegram van 11 januari'. Op die dag meldde Dallaire het VN-hoofdkwartier in New York dat een hooggeplaatste Rwandese bron hem had verteld wat Rwanda te wachten stond. De man, de latere premier Faustin Twagiramungu, had verklaard dat het de bedoeling was Belgische blauwhelmen te vermoorden en zo het vertrek van het Belgische contingent af te dwingen. De Belgen golden als het best geoefende en bewapende onderdeel van UNAMIR.

Verder stonden afgevaardigden van oppositiepartijen op dodenlijsten. Demonstraties van aanhangers van de regerende Interahamwe moesten het ingevolge de vredesovereenkomst van Arusha (augustus 1993) in Kigali gekazerneerde bataljon van het oppositionele Patriottisch Front provoceren tot het onder vuur nemen van betogers. Zeventienhonderd militairen van het regeringsleger stonden in Kigali gereed om toe te slaan. De zegsman achtte zijn mannen in staat om in twintig minuten duizend Tutsi's te vermoorden. Hij had opdracht alle Tutsi's in de hoofdstad te registreren. Hij vroeg tenslotte om bescherming voor zichzelf en zijn gezin.

Het VN-hoofdkwartier vreesde een `val' en weerhield het commando ter plaatse van actie. Secretaris-generaal Boutros-Ghali zag een kopie van het telegram pas veel later. De Veiligheidsraad werd niet ingelicht. De rapporteurs menen dat de genocide had kunnen worden voorkomen als dit telegram serieus was genomen. De officieel gevolgde lijn was dat in Rwanda strijd woedde tussen regeringstroepen en een rebellenleger en dat UNAMIR een bestand moest bewerkstelligen zonder zelf in te grijpen. Nog op 21 april keurde de Veiligheidsraad een resolutie goed gegrond op dit axioma. Acht dagen later waarschuwde Boutros-Ghali de raad echter dat UNAMIR niet in staat moest worden geacht een eind te maken aan de voortdurende massamoorden. Dat was de eerste aanwijzing dat het hoofdkwartier in de gaten kreeg wat er zich werkelijk afspeelde.

Moordpartijen waren al eerder aan de orde. Maar de genocide begon pas echt nadat op 6 april het vliegtuig van president Habyarimana was neergeschoten en het Rwandese staatshoofd om het leven was gekomen. Het uiteindelijke aantal doden herinnert aan het aantal slachtoffers na het aan de macht komen van Soeharto midden jaren '60 in Indonesië en de Cambodjaanse `killing fields' van de jaren '70. Net als bij die gelegenheden bleef de internationale gemeenschap in Rwanda passief.

De rapporteurs doen verslag van slechts enkele moordpartijen. In de morgen van 7 april werd de wacht bij de woning van premier mevrouw Uwilingiyimana versterkt met Belgische militairen. Maar enkele uren later vluchtte zij ongezien over een muur en zocht bescherming in een VN-kamp – waar zij diezelfde dag nog door de presidentiële garde werd vermoord. De Belgen bij haar woning werden vervolgens overmeesterd, naar kamp Kigali vervoerd, gemarteld en vermoord. Andere, onder VN-bescherming geplaatste, vooraanstaande Rwandezen trof eenzelfde lot. Tweeduizend Rwandezen die VN-bescherming hadden gezocht in de Ecole Technique Officielle in een voorstad van Kigali werden omgebracht nadat Franse troepen de daar verblijvende buitenlanders in veiligheid hadden gebracht en het VN-cordon was opgeheven.

De rapporteurs geven uiting aan hun verontrusting over de geconstateerde permanente weigering van lidstaten UNAMIR op sterkte te brengen. De aanwezige vredesmacht werd na de moord op de Belgen drastisch ingekrompen. Zelfs na het raadsbesluit om een nieuwe interventiemacht op te stellen kwam deze niet verder dan enkele honderden manschappen, hoewel het VN-secretariaat er 5.500 noodzakelijk had genoemd. In scherp contrast stonden daarmee de honderden buitenlandse militairen die de evacuatie van niet-Rwandezen begeleidden en de paar duizend man die Frankrijk inzette voor de omstreden, niet onder VN-vlag gestelde operatie Turqoise in het zuidwesten van het land. Toen het tij omsloeg en Tutsi-troepen Kigali hadden ingenomen, profiteerden vooral schuldigen aan de massamoorden van de Franse protectie.

De conclusies van het rapport zijn helder. Het allesoverheersende falen wordt geweten aan een gebrek aan middelen en aan wil die nodig waren om de genocide te beëindigen. Het mandaat van UNAMIR was dat van een traditionele vredesoperatie waarbij een tussen strijdende partijen gesloten bestand moet worden gehandhaafd en blauwhelmen het consigne hebben alleen uit zelfverdediging de wapens te gebruiken en verder neutraal te blijven.

Er was geen enkele voorziening getroffen voor het geval dit mandaat door de gebeurtenissen zou worden achterhaald. De communicatie binnen de VN-bureaucratie was gebrekkig en in het veld was onvoldoende politieke expertise aanwezig om de ware aard van de gevaren te doorgronden. Desondanks werden die gevaren tijdig gesignaleerd, maar zij werden niet waargenomen op de plaats waar het verschil had kunnen maken: in New York.

Enkele weken geleden hebben de VN een rapport gepubliceerd over hun falen in Bosnië, culminerend in de massamoord op moslimmannen en -jongens in Srebrenica. Ook die studie liet een opeenvolging van bestuurlijke misslagen en verwijtbare handelingen zien. Maar het rapport over Rwanda legt in zijn conlusies veel duidelijker de VN-structuur bloot die wel tot falen moest leiden.

Een jaar later, in Bosnië, bleek de internationale gemeenschap niets van haar mislukking in Rwanda te hebben geleerd. Ook hier werd vastgehouden aan neutraliteit die geen goedzakken of slechteriken kent – tot voorbij het moment waarop de misdaad zijn vrije loop moest worden gelaten.

De rapporteurs over Rwanda tonen zich voorstander van ingrijpende wijzigingen in het opereren van de VN in het zicht van misdaden tegen de menselijkheid en genocide. Zij doen daartoe een reeks voorstellen. Hun beperking is dat zij praktisch uitsluitend de VN-archieven tot hun beschikking hebben gehad.

Nadere en uitgebreidere studie zou kunnen uitwijzen dat het niet toevallig is dat de VN zijn wat zij zijn. De wil ontbrak, schrijven de rapporteurs, maar zij vertellen niet, kunnen niet vertellen, waarom.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.