Trou moet blijcken

Boggom en Voertsek...

Boggom en Voertsek het saam gelewe

Waar die Hantam-berge pryk

En die dun kapok in die naglug swewe

As die wind die biesies stryk.

Boggom en Voertsek het saam geswerwe

Waar die boegoe-bossies bloei

En die harde klip, deur die ys gekerwe

In die oerou tyd, nog groei

Boggom en Voertsek het saam gesanik

In die aand teen die vollemaan:

Sluit ek my oë vandag, dan waan ek

Ek kan hulle taal verstaan.

Boggom en Voertsek het saam gesterwe,

Waar die Hantam-wêreld strek.

Daar's niks as die storie om oor te erwe,

En niks om daaruit te trek.

C. Louis Leipoldt (1880-1947)

Je hebt Laurel en Hardy, je hebt Aagje en Betje, je hebt Koot en Bie, je hebt Boggom en Voertsek. Twee namen die bij elkaar horen, twee namen die er alleen in dié volgorde magisch uitzien, een duo dat zelf weer als derde persoon boven de twee samenstellende delen zweeft.

Boggom en Voertsek, het zijn de namen van een bobbejaan – dat wil zeggen een baviaan – en een hond. Boggom zal waarschijnlijk een klanknabootsend woord zijn en Voertsek is een samentrekking van het oude vort-seg-ik, de roep waarmee je een hond aanspoort de benen te nemen.

Ze hebben samen geleefd, zegt de eerste strofe. Meer wordt er niet over het duo verteld – de overige regels zijn natuurbeschrijving. Ze hebben geleefd in de Hantam-bergen, het hoogland van Leipoldts eigen jeugd.

Wanneer de wind het riet beroert, vervolgt het gedicht, zweeft de dunne sneeuw daar in de nachtlucht. Het is misschien gek, maar voor mij is het of juist door die sneeuw Boggom en Voertsek contouren krijgen – alsof je hun zwarte silhouet voor je ziet, als schaduwbeelden uitgeknipt in het wit. Een domme baviaan en een dappere hond. Een enorme baviaan en een driftig hondje. Een wat logge goeierd en zijn ondermaatse maatje. Zoiets.

Ze hebben samen gezworven, zegt de tweede strofe. En opnieuw niets dan natuurbeschrijving. De boegoe-struiken, met hun aromatische en geneeskrachtige eigenschappen – ze lijken de sfeer van het jeugdlandschap van de dichter voort te zetten, maar de harde steen, gekerfd door het ijs, en de oeroude tijd geven er daarna duidelijk iets voorwereldlijks aan.

We hebben alleen dat dwingende landschap. Boggom en Voertsek blijven geïsoleerd, niet veel meer dan een naam. Hoe heet een als duo opererende Einzelgänger?

Ze hebben samen gezeurd, gezanikt, gejengeld, zegt de derde strofe. Ah, daar is communicatie. Gezellig met mekaar hebben ze 's avonds een beetje tegen de volle maan staan (of zitten) aanjengelen. Ineens zijn in high fidelity volop in het gedicht aanwezig. Als broeders in het protest. Of moeten we het zó zien dat ze, tegen het licht van de volle maan, met elkaar redetwisten? Het beeld van hun zwarte silhouetten zou daar naadloos bij passen. Hoe dan ook, ze houden zich onledig met het geven van geluid.

Sluit ek my oë vandag, dan waan ek

Ek kan hulle taal verstaan –

Sluit ik vandaag mijn ogen... Het gaat dus om een tafereel van lang geleden. De dichter ziet het landschap van zijn jeugd voor zich. Hij beschrijft het als een voorwereldlijk landschap. Het is allemaal nogal naakt en oer en elementair met die nachtlucht, harde steen en volle maan. Ook de archetypische namen van het tweetal dragen bij tot het droomkarakter. Elk woord in het gedicht heeft kennelijk een magische lading. De jeugd als het voorwereldlijk bestaan, als het ongenaakbare landschap uit een andere tijd, voorgoed afgesloten en voorgoed onbereikbaar – nergens suggereert Leipoldt zijn lievelingsthema zo schrijnend als hier.

Dan verbeeld ik me dat ik hun taal kan verstaan... Jawel, hij heeft hun taal gekend. Hun taal was ooit de zijne. Nergens is het gemis bij Leipoldt zo groot als hier. De dichter verbeeldt het zich alleen maar.

De ware betekenis van hun taal – de taal die hij kende als kind – is voorgoed verloren gegaan. Er zijn in zijn herinnering alleen nog de klanken. Alleen de contouren.

Boggom en Voertsek zijn samen gestorven, zegt de laatste strofe. De cyclus is rond. Het leven van Boggom en Voertsek bestond uit zwerven, geluid geven en sterven, zoals het leven van ieder mens. Het gedicht wordt hier heel exemplarisch, met dat tot één kosmos uitstrekken van de mythische ruimte die Hantam-wêreld heet – het sterven als terugkeer naar de oorsprong.

Het leven als een zwerftocht en als zinloos, maar soms dierbaar geluid tussen twee stilten – dat is alles. Dis al. Vandaar die op het eerste gezicht schokkende, maar eigenlijk volmaakt logische conclusie –

Daar 's niks as die storie om oor te erwe,

En niks om daaruit te trek

– niets dan dit naakte verhaal is er om over te leveren, en geen enkele les valt er uit te trekken.

Het lijkt een bitter, nihilistisch slot, of misschien alleen maar wat laconiek en ironisch, maar het zijn bij nadere beschouwing oneindig gevoelige regels. Ze laten de vriendschap van Boggom en Voertsek onverlet. De beide regels glorifiëren hun saamhorigheid.

Als twee reuzen – nu ja, als anderhalve reus – staat hun schim daar voor eeuwig tegen de horizon. Ecce homo.

''Zo wil ik kijken, ja.''