Onderweg hebben we iets verloren

Vrolijke verbazing over de wereld van nu maar ook gegronde angst voor louter grote woorden. De bezwaren tegen de geest van deze tijd.

GEEN PERIODE is zo moeilijk te begrijpen als de eigen tijd, geen samenleving zo in raadselen gehuld als degene waarin men zelf leeft. Er bestaat derhalve geen enkel excuus om een oordeel uit te spreken over onze eeuw of over onze natie op de drempel van de millenniumwende, behalve blinde overmoed en volslagen onwetendheid. Maar dat is goed genoeg of in ieder geval voldoende rechtvaardiging voor vrolijke verbazing.

Het heet dat wij leefden in de eeuw van massavernietiging, van mensenrechten, van mondialisering, van mediasering, van automatisering, van Amerikanisering, en soms heet het zelfs dat wij leefden in de eeuw van dat alles tegelijk. Dit moge zo zijn, maar uiteindelijk klinken hier louter grote woorden, en aan grote woorden heeft het ons de afgelopen honderd jaar zelden ontbroken. I fear those big words, Stephen said, which make us so unhappy. Dat schreef de auteur die onlangs werd uitgeroepen tot de schrijver van de eeuw, en hij had gelijk.

Indien wij niet willen vallen voor de totalitaire verleiding der grote woorden, indien wij niet in de kussens van een beschaafde opinie willen wegzinken - en dat willen we in godsnaam niet -, dan rest ons weinig anders dan met de mond vol tanden te staren naar de details van het dagelijks bestaan. Ik bedoel dan details waaraan latere geschiedschrijvers de smaak van onze wereld kunnen proeven. Ik bedoel bijvoorbeeld de volgende plakjes Nederlandse werkelijkheid.

Onlangs besloot de Universiteit Leiden geen nieuwe hoogleraar Oude Geschiedenis meer te benoemen, maar wel een public relations-medewerker aan te nemen om het imago van de Faculteit der Letteren te verbeteren. Onlangs vierden de voltallige dagelijks besturen van de Regionale Opleidingen Centra een geheel verzorgde reis naar China, om aldaar kennis te nemen van onderwijsstrategieën in het nieuwe tijdvak, terwijl docenten van dezelfde ROC's hun licht mochten opsteken op een computerbeurs (niet in de Utrechtse Jaarbeurs maar in Chigago). Onlangs plengde staatssecretaris Adelmund tranen over het succes dat werd geboekt bij het onderwijs aan jonge immigranten, hoewel bleek dat in de Nederlandse grote steden niet meer dan 5 procent van de allochtone jeugd HAVO-niveau of hoger bereikt, hetgeen precies hetzelfde aantal is als tien jaar geleden en ongeveer het slechtste resultaat in West-Europa.

Is dit erg? Neen, het is niet erg, en het betekent ook geenszins dat de ondergang van onze beschaving nakend is. Nederland zal in de eenentwintigste eeuw ook blijven drijven zonder kennis van de klassieken, geheel verzorgde reisjes komen onder de beste bestuurders voor, en wie beseft dat er sinds 1982 meer dan 15 procent is bezuinigd op de begroting van Onderwijs, kan niet ontevreden zijn over de resultaten. Het zijn wel details die een beeld gunnen achter de façade van het poldermodel, en de achterkant van de natie ziet er wat rafeliger uit dan de verpakking. Dit is niet de plaats om het hoe en waarom daarvan te verklaren. Wat we zien, laat zich misschien omschrijven als zelfbedrog, zelfverrijking of zelfgenoegzaamheid, maar dat zijn allemaal grote woorden, en die maken slechts ongelukkig zonder dat ze ons laten begrijpen waarom Nederland de eeuw in deze staat afsluit.

Het volstaat hier om vast te stellen dat onze samenleving onderweg naar de nieuwe tijd iets schijnt te hebben verloren. Ik bedoel misschien het besef dat ten grondslag lag aan de invoering der leerplicht in Nederland in 1901, aan de beëindiging van de schoolstrijd in 1920 mede door een enorme financiële injectie in het onderwijs en aan het streven dat uitmondde in de situatie dat thans ongeveer honderd keer zoveel studenten de universiteit bezoeken als een eeuw geleden. Ik bedoel wellicht de hoop dat daarmede ons land ook honderd keer zo intelligent, honderd keer zo creatief, honderd keer zo erudiet zou worden.

Wie beseft dat moderne studenten minder tijd besteden aan lezen dan MULO-scholieren vijftig jaar geleden, zou kunnen menen dat er onderweg wat mis ging. Maar er is iets fundamentelers aan de hand, iets dat de toestand in de wereld ook beter kan verklaren. In onze eeuw is `intellectualiteit', vanaf de achttiende eeuw de motor achter elke maatschappelijke en culturele verandering, geeindigd als een lifestyle-attribuut. Dit is geen nieuws. Al in 1972 schreef Irvin Kristol in Commentary een grafrede voor de hoger opgeleide oude stijl die volgens hem werd verdrongen door een nieuw soort pseudo-intellectueel. ,,Het probleem is'', betoogde hij, ,,dat onze samenleving steeds meer `intellectuelen' opkweekt en steeds minder gewone mensen. Westerse landen hebben nu een grote groep mensen die zich de houding, gedragingen, symboliek en taalcodes van intellectuelen hebben eigen gemaakt, en die van zichzelf denken dat ze intellectueel zijn, hoewel ze intellectuele vorming volstrekt missen - en vaak zelfs geen enkele intellectuele competentie bezitten.''

Afgezien van de vraag of somberheid hieromtrent gerechtvaardigd is, lijkt de diagnose juist. Op de drempel van het millennium is een intellectueel niet meer iemand die vorsend tracht te begrijpen, maar iemand die zich modelleert naar het idioom van de massa-bohémien der televisie-reclame. Waarneembaar is bijvoorbeeld een grensvervaging tussen de taal der journalisten en die der reclamemakers: hanteren de eersten steeds meer ironie en hyperbolen, de tweede groep bedient zich steeds vaker van literaire stijlfiguren en understatement.

De consequentie van een en ander is even opmerkelijk als onmiskenbaar. Intellectualiteit is niet langer een instrument van verandering maar van conservering. De wereld der moderne intellectuelen is `af' is een `centre of excellence', is een hebbedingetje. Hier ligt de achtergrond van de ritualisering van de cultuur, van de subsidiëring van het bestaande, van het fatalisme aan de universiteiten, van het gebrek aan nieuwe gezichten en nieuwe gezichtspunten. Ja, ligt hier de achtergrond van een verlangen om de wereld zo te houden als zij is.

Sinds de jaren zestig lijkt veel veranderd in Nederland, het meest op het gebied van de persoonlijke en publieke moraal, maar het minst wat betreft degenen die aan het woord zijn. Uit het strijdgewoel van `1968' zijn twee overwinnaars te voorschijn gekomen. Een daarvan is de nieuwe Sprachherrschaftsklasse (om dat woord van de Duitse socioloog Helmut Schelsky te gebruiken), die dankzij haar vernieuwingsideologie tot de elite kon toetreden, en de andere is de Geldherrschaftsklasse, die de vernieuwingsideologie kon vertalen in massaconsumptie. De dominee en de koopman vonden elkaar opnieuw, nu in spijkerbroek en Hugo Boss-kostuum.

Deze opheffing van de oude tegenstrijdigheid tussen een maatschappijkritische geesteshouding en een consumptieve levenshouding werd de blijvende verworvenheid van de generatie der babyboomers. Als de babyboomers ons iets nalaten, dan is het wel opportunisme met een menselijk gezicht.

Niemand zal beweren dat dit `slecht' of `betreurenswaardig' is. I fear those big words, which make us so unhappy. James Joyce had gelijk. Wel zien we op het breukvlak van twee eeuwen in althans één opzicht een knakje in onze beschavingsgeschiedenis. Er is een einde gekomen aan het Bildungsbürger-ideaal. De paradox is dat in de huidige `informatiemaatschappij' het streven naar kennis niet langer geldt als sleutel tot emancipatie. Thans wil niemand meer `burgerlijk' zijn, en dus wil niemand ook meer zich als een `burger' intellectueel ontwikkelen. Nu is het voldoende `jezelf' te zijn.

Vandaar dat universiteiten een hoogleraar Oude Geschiedenis moeiteloos inruilen voor een public relations-medewerker. Op de drempel van de nieuwe eeuw zijn wij nul-dimensionaal geworden: dom en gelukkig - en dat is beter dan andersom, wellicht.