Kiesstelsel

TOT DE NEDERLANDSE debatonderwerpen met eeuwigheidswaarde behoort zonder meer het kiesstelsel. Met zijn deze week naar de Tweede Kamer gestuurde nota over de wijziging van dat stelsel heeft minister Peper (Binnenlandse Zaken) de discussie hierover ook voor het nieuwe millennium veiliggesteld. Een reeks voorstellen ter verbetering wordt opgesomd. Echt verrassende ideeën zijn er nauwelijks in terug te vinden, maar dat kan ook moeilijk met een nota waarvan de voetnoten zelfs terugverwijzen naar een discussiestuk uit 1946.

De vraag is eerder, getuige de lange en treurig stemmende voorgeschiedenis, waar minister Peper aan is begonnen. Het antwoord is simpel: het regeerakkoord. De toezegging over een hernieuwd onderzoek naar het kiesstelsel was één van de `offers' die PvdA en VVD aan D66 brachten om de laatste voor de coalitie te kunnen behouden. Toch is het los van coalitie-overwegingen nuttig dat ook het huidige kabinet blijft nadenken over het legitimatievraagstuk. In zijn nota haalt Peper een Duits onderzoek aan waaruit blijkt dat er de laatste decennia in Europa een tendens bestaat om de band tussen kiezer en gekozene aan te halen. De enige uitzondering is Nederland.

Dit brengt Peper tot de conclusie dat het Nederlandse kiesstelsel zal moeten veranderen om voldoende legitimiteit van het politieke systeem te kunnen behouden. Het is niet zonder betekenis dat de minister van Binnenlandse Zaken dit zegt. Want het betekent dat Peper anders dan zijn voorganger Dijkstal de noodzaak van veranderingen zelf onderschrijft. Dat zal van invloed zijn op de wijze waarop het debat de komende tijd wordt gevoerd.

OVERIGENS ZIJN DE mogelijkheden tot fundamentele verandering beperkt. In zijn nota somt Peper zes voorwaarden op waaraan een wijziging van het kiesstelsel moet worden getoetst. De belangrijkste is dat een voorstel zonder grondwetswijziging moet kunnen worden ingevoerd. Het betekent onder andere dat er niet getornd kan worden aan het aantal van 150 Tweede-Kamerzetels. Ook houdt dit in dat het systeem van evenredige vertegenwoordiging overeind blijft. Voorts stelt Peper dat een eventueel nieuw systeem voor de kiezer begrijpelijk moet zijn. Dit is geen onbelangrijke randvoorwaarde, want het maakt de kans op overname van het Duitse kiessysteem (waarvoor bij PvdA en CDA althans in het verleden wel enige sympathie bestond) gering.

Vreemd is de eis van Peper dat een nieuw kiesstelsel niet nadelig moet uitwerken op de mogelijkheid voor vrouwen en minderheden om een zetel te verwerven. In de grondwet is de gelijke behandeling opgenomen. Voor het overige is de man-vrouwverdeling en het kandideren van minderheden toch eerder een zaak voor de aan verkiezingen deelnemende politieke partijen dan voor de staat.

WAT RESTEERT IS een kiesstelsel dat meer recht doet aan het regionale element en waarbij de herkenbaarheid van personen wordt vergroot. Dat kan niet anders dan leiden tot een systeem waarbij de invloed van de kiezer via de voorkeurstem wordt vergroot. Ook dan zijn weer vele modellen denkbaar. Het belangrijkste is dat in de Tweede Kamer nu eindelijk eens de wil wordt uitgesproken de kiezer die mogelijkheid te geven. De uitwerking volgt dan vanzelf.