Een kwestie van gevoel

Over veel onderwerpen hebben we ons oordeel al klaar. Zelfs deskundigen komen niet vanzelfsprekend tot een zuiver oordeel. Ook bij hen speelt gevoel een rol.

VRAAG EEN deskundige om een oordeel en hij of zij zal feiten en observaties aandragen, voors en tegens afwegen, met vergelijkingen komen: hoe gingen de dingen vroeger, wat gebeurt er elders in de wereld, hoe zit het bij andere specialismen? De deskundige zal misschien nog een beetje piepen dat het zo moeilijk is om een oordeel te geven, want hoe meer je van iets weet, hoe beter je beseft dat er eigenlijk nog veel meer over te weten valt. Uiteindelijk zal de deskundige echter met een weloverwogen oordeel komen, waarbij allerlei relevante kennis is gebruikt.

Hoe anders zit dat als iemand op een bepaald terrein een relatieve leek is. Want hoe kun je je nou een oordeel over iets vormen als je er niet zoveel vanaf weet? Het blijkt dat mensen daar hun hand niet voor omdraaien. Breng een bepaald onderwerp bij iemand onder de aandacht, en diegene heeft er, ongehinderd door enige kennis van zaken, meteen een mening over.

We zagen het deze week aan de resultaten van een NIPO-enquête over asielzoekers. Tachtig procent van de ondervraagden had nooit een asielzoeker ontmoet, althans niet dat ze wisten. Toch, zo bleek, denkt 40 procent van de ondervraagden dat asielzoekers crimineler zijn dan de gemiddelde Nederlander en heeft 50 procent het idee dat asielzoekers veel overlast veroorzaken. Hetgeen beide niet klopt, bleek uit een andere studie.

Zulke oordelen zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op gevoelens. We weten van allerlei onderwerpen of ze `goed' of `slecht' zijn voordat we er inhoudelijk over hebben nagedacht. Eind jaren tachtig projecteerden psychologen van de New York University woorden zo kort op een diascherm (een aantal milliseconden) dat de proefpersonen ze niet konden herkennen. Het bleek dat de proefpersonen totaal niet konden raden of hetgeen ze voorbij zagen flitsen synoniem was aan een ander woord dat ze kregen voorgelegd, maar dat ze wél vaak konden zeggen of een woord een positieve betekenis (`vrede') of een negatieve betekenis (`oorlog') had. Kennelijk registreren onze hersenen zulke gevoelsinformatie op een andere, meer elementaire manier, en kan dat al buiten ons bewustzijn. Vervolgens gaan we bewust argumenten zoeken die ons aanvankelijke oordeel ondersteunen.

Die eerste, automatische gevoelens komen natuurlijk wel ergens vandaan, maar er is veel minder bewust overdachte informatie nodig om een voorkeur voor, of een afkeer van iets te ontwikkelen dan we over het algemeen denken. In een ander onderzoek kregen proefpersonen een hele reeks niet bestaande onzinwoorden te lezen die telkens gekoppeld waren aan de namen van bekende personen. Het bleek dat mensen een hekel kregen aan de onzinwoorden die aan mensen als Hitler of Stalin waren gekoppeld, en dat dit effect nog een tijdje aanhield na het experiment.

Over het algemeen zijn mensen positief ingesteld. We gaan meestal vanzelf houden van alles waar we veel mee te maken hebben. Toen de Eiffeltoren in 1889 klaar was, lokte dat `lelijke monster' een storm van protesten uit. Maar naarmate de Parijzenaren aan het bouwsel wenden, begonnen ze het zelfs mooi te vinden en werden ze er trots op. Dit mere exposure effect (slechts aan iets blootgesteld worden leidt er al toe dat je het gaat waarderen) verklaart ook waarom mensen foto's van zichzelf vaak lelijk vinden: ze zijn voor je gevoel in spiegelbeeld. Mensen zien zichzelf vaker in een spiegel dan op foto's, en dus is er aan een foto iets onwennigs. Met foto's van anderen heb je dat niet, hen zie je immers vaker in het echt dan in de spiegel.

Maar we mogen dan nog zo'n positieve instelling hebben, zodra we een bepaald onderwerp ook maar enigszins met iets problematisch in verband brengen, is het mis. Als asielzoekers in de media steeds geassocieerd worden met moeilijkheden, kunnen mensen door die associatie zonder er echt over na te denken al een hekel aan asielzoekers krijgen.

Vergelijkbaar is het fenomeen dat mensen niet goed zijn in het omgaan met ontkenningen. Mededelingen als `Brits rundvlees veroorzaakt geen Creutzveldt-Jakob', `Burgemeester Peper declareerde geen privé-kosten' of `Millenniumplatform verwacht geen rampen met de eeuwwisseling' worden, als we ze een beetje oppervlakkig verwerken, na een tijdje herinnerd als: er was iets engs met Brits rundvlees, Peper is corrupt, en op 1 januari staat ons nog heel wat ellende te wachten. `Zeg me dat het niet zo is', zong Frank Boeijen een paar jaar geleden, maar hij had zijn publiek beter kunnen vragen om te zeggen dat het tegendeel wél het geval was. Een boodschap als `Brits rundvlees hartstikke gezond' of `Alle computers doen het straks geweldig' leidt nauwelijks tot vertekeningen achteraf – het is de ontkenning die we niet goed kunnen onthouden.

Mensen zijn dus gemakkelijk te beïnvloeden. Gelukkig weten deskundigen een hoop af van hun specialisme, en zijn hun oordelen wel gefundeerd – zou je zeggen. Maar is dat eigenlijk wel zo? Experts zijn natuurlijk ook maar mensen, en ze mogen dan over meer informatie beschikken, ook zij laten zich op een meer onbewust niveau beïnvloeden. Vorig jaar publiceerden Nederlandse psychologen een onderzoek waaruit bleek dat de oordelen van hun collega's sterk werden beïnvloed door onbewuste mechanismen – ook al waren dat mensen die alles afwisten van de mogelijkheid van zulke onbewuste invloed.

Er is dus geen enkele reden om te denken dat de bovenstaande principes niet ook voor deskundigen opgaan. Toen ze nog weinig wisten van `hun' onderwerp zijn ze ook gewoon informatie gaan zoeken die bij hun eerste gevoel paste. Het blijkt dat mensen grote moeite hebben om überhaupt te luisteren naar iemand die een sterk afwijkende mening verkondigt. We gaan meteen, terwijl we diegene horen praten, tegenargumenten verzinnen, waardoor we uiteindelijk nauwelijks verwerken wat de ander feitelijk beweert.

Maar ook als we wel opletten, kunnen gevoelens de overhand krijgen. De mededeling dat er van iets nog maar weinig is, roept meteen het beschermende gevoel op dat datgene waardevol is en bewaard moet blijven – ook al gaat het om een vooroorlogs type hoogspanningsmast of een bijna uitgestorven grassoort.

Omdat deskundigen beschikken over ingewikkelde informatie, wordt hun oordeel voor een belangrijk deel bepaald door de manier waarop ze die gepresenteerd krijgen. Stel: een natuurramp bedreigt 600 mensen. Als je de keus hebt tussen een oplossing waarbij 200 mensen zeker gered worden of een oplossing met een kans van 1 op 3 dat alle 600 mensen worden gered en een kans van 2 op 3 dat niemand wordt gered, zul je geneigd zijn de eerste optie te kiezen. Maar als dezelfde informatie in termen van verliezen wordt gepresenteerd – een keuze tussen een oplossing waarbij 400 mensen zeker omkomen, of een oplossing met een kans van 1 op 3 dat niemand doodgaat en een kans van 2 op 3 dat alle 600 mensen doodgaan – dan kiezen mensen juist de tweede optie. Ook hier geldt weer: de mogelijkheid iets te verliezen telt veel zwaarder mee dan de mogelijkheid iets te winnen.

Ook als deskundigen in principe over dezelfde informatie beschikken, kunnen ze dus toch volkomen verschillen in hun mening over een bepaalde situatie, over de vraag of een bepaalde oplossing nu goed of slecht is. Uiteindelijk hangt alles af van de manier waarop we onze informatie krijgen voorgeschoteld, en wat we er op grond van onze persoonlijke gevoelens uitpikken. Een oordeel is zo persoonlijk, dat een objectief oordeel letterlijk een contradictio in terminis is.