Een koning voor de eenentwintigste eeuw

Ongeveer 16 uur vooraleer in West-Samoa voor het laatst dit millennium de zon ondergaat, gaat een paar honderd kilometer ten westen daarvan, in Tonga, voor het eerst in het nieuwe de zon op. Op dat moment zal de koning van Tonga op het meest oostelijke punt van het hoofdeiland van zijn eilandenrijkje als eerste, en doorgestraald naar talloze televisiestations, zijn christelijke millenniumboodschap de wereld in sturen. Bij ons is het dan nog maar 4 uur 's middags van oudejaarsdag. Het is dus maar de vraag hoeveel mensen dat hier zullen volgen.

Toch gaat er een mooie symboliek van uit dat uitgerekend deze koning Taufa'ahau Tupou IV het nieuwe millennium mag inluiden, want slechts weinig landen worden nog zo feodaal bestuurd als Tonga. De bijna honderdduizend inwoners beschikken over een klein parlement, waarvan slechts negen leden rechtstreeks verkozen zijn. Daarnaast wijzen 33 erf-edelen nog eens negen leden aan. Tenslotte maken de koninklijke regering en de al even adellijke parlementsvoorzitter deel uit van dit parlement. De pro-democratiepartij kan dan wel reeds jarenlang zes van de negen rechtstreeks gekozen parlementszetels behalen, zelfs met 100 procent van de stemmen zou ze haar belangrijkste doelstelling niet via parlementaire weg kunnen realiseren. Ook economisch en sociaal gezien is het regime zo reactionair als maar kan. Het gehele economisch surplus wordt door de kleine elite naar zichzelf afgeleid. En elke edele die een niet-edelijke huwt, verliest gelijk alle voorrechten die bij die stand horen...

Een feodale vorst, wiens belangrijkste verwezenlijking is dat hij zijn fenomenale gewicht met tachtig kilo wist terug te brengen, die het nieuwe millennium inluidt; waarom is die symboliek zo mooi? Omdat we in dit tijdperk van onbegrensde technologische mogelijkheden voortdurend geconfronteerd worden met de beperkingen van menselijk, al te menselijk management. Dat valt op vele manieren toe te lichten, maar laat me even putten uit recente ervaringen. Onlangs ben ik verhuisd, wat leidde tot een veelvoud aan contacten met gemeentes, banken, makelaars, hypotheekadviseurs, verzekeringsmaatschappijen, loodgieters, aannemers, detailhandelszaken... Top of the bill in de ergernismachinerie was overnamekampioen KPN. Een dertigtal keer heb ik gebeld over zaken als ISDN-aansluiting, de beste centrale, de beste telefoons. Ook bij de Primafoon ben ik daarvoor een paar keer langs geweest. Elke keer een totaal ander verhaal en ,,ik begrijp echt niet dat die collega u dit heeft aanbevolen, want....'' De ISDN-helpdesk kon nog het minst van al een ISDN-probleem uitleggen. Dan word je doorverbonden, mag je het opnieuw uitleggen. Of ze gaan het even een collega vragen, waarna tien minuten muziek en vervolgens: tuut-tuut-tuut... Kun je weer helemaal opnieuw beginnen.

Dan zijn er nog de talloze instanties die er vanuit gaan dat moeder de vrouw of wie dan ook voortdurend thuis is of dat iedereen op stel en sprong zijn agenda kan aanpassen. Leuk zijn ook de bedrijven met wie je een afspraak maakt en die dan een halve dag eerder komen. Dit is het tijdperk van de individualisering, van de tweeverdieners, maar het is nog tot een groot stuk van het Nederlandse bedrijfsleven niet doorgedrongen. Volgens sommigen leven we in een diensteneconomie. Volgens anderen is dit zelfs het tijdperk van de `massa-individualisering', een slechte vertaling van het Engelse mass customization (door een Nederlandse auteur intussen naar het Engels als `mass individualisation' terugvertaald!). Dat verhaal over `massamaatwerk' komt erop neer dat het steeds meer mogelijk is massaproductie te combineren met een klantspecifieke benadering. Leuk! Of Just-In-Time. Helemáál te gek!

Natuurlijk is het noodzakelijk dit soort ontwikkelingen te volgen, voortdurend te weten wat er mogelijk in de pijplijn zit. Maar toch zou men moeten waarschuwen: HET LEZEN VAN DIT BOEK KAN UW GEZONDHEID SCHADEN! Want hoezeer ik ze meestal zelf met een grote zak zout lees, ik kwam er weer achter dat ik er toch te veel van was gaan geloven: dat klanten koningen zijn, dat bedrijven klantenrelaties koesteren, dat er zoiets als dienstverlening bestaat. Daardoor maak je het jezelf alleen maar lastig en dreig je je humeur en dat van anderen te verpesten. Want als je weinig of niets verwacht, ga je slimmer met die `dienstverleners' om, dan denk je niet als klant zekere rechten te hebben, dan besef je dat je die mensen te vriend moet houden, moet paaien en `soigneren'. Dan doe je en zeg je sneller de zaken waardoor ze net iets meer met jou rekening houden. Dan herinner je je de Chinese wijsheid dat je nooit je geduld mag verliezen, dat je steeds moet blijven glimlachen. En verder dat niets haast heeft en niets écht belangrijk is, dat morgen de zon weer opgaat.

Wellicht zal meneer Taufa'ahau Tupou dat niet precies zo zeggen, maar hij en zijn kliek gedragen zich zo dat deze boodschap voor zijn honderdduizend onderdanen duidelijk is. Echt een man en boodschap voor de eenentwintigste eeuw.

Je hebt Laurel en Hardy, je hebt Aagje en Betje, je hebt Koot en Bie, je hebt Boggom en Voertsek. Twee namen die bij elkaar horen, twee namen die er alleen in dié volgorde magisch uitzien, een duo dat zelf weer als derde persoon boven de twee samenstellende delen zweeft.