Complexe arbeidsmarkt eist divers beleid

Nederland heeft een arbeidsmarktprobleem – dat hoor je het steeds vaker, maar het klopt niet. Er zijn een heleboel arbeidsmarktproblemen.

Duizenden bedrijven en instellingen klagen dat ze er niet of nauwelijks in slagen hun vacatures vervuld te krijgen. De economie giert op volle toeren, de werkloosheid is gedaald tot een procent of drie. Minister Jorritsma (Economische Zaken) suggereerde dat we allemaal langer moeten gaan werken om de knelpunten op te lossen. Helpt dat?

Een dergelijke generieke oplossing suggereert dat we met een generiek probleem te maken hebben. En dat is maar zeer de vraag.

Op zijn minst kan het arbeidsmarktprobleem op drie niveaus worden geanalyseerd: binnen een branche en regio waar werkgevers met elkaar concurreren om personeel; tussen branches en tussen regio's; en ten slotte op het niveau van de arbeidsmarkt als geheel.

Om met dat laatste te beginnen: er zijn mensen zat zonder baan. Volgens de CBS-telling zijn er 206.000 geregistreerde werklozen, nog altijd meer dan het aantal geregistreerde vacatures, dat rond de 190.000 ligt. Maar er zijn nog honderdduizenden anderen die zonder werk thuis zitten. Een deel zit in de WAO, een deel in de bijstand of in een andere uitkeringsregeling en een deel zit `gewoon' thuis, als huisvrouw. Volgens het Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM) is er een `stille arbeidsreserve' van één miljoen mensen.

Natuurlijk kunnen die niet allemaal morgen aan het werk. Velen hebben scholing nodig. Voor anderen moeten vooral praktische problemen worden opgelost, zoals kinderopvang of vervoer. Sommigen hebben in de eerste plaats behoefte aan waardering en zelfvertrouwen om de deuken te herstellen die ze in eerdere arbeidservaringen hebben opgelopen. Daar is geduld en aandacht voor nodig, maar vooral ook de wil om er iets aan te doen.

Uit de EIM-studie blijkt dat die stille arbeidsreserve ongelijk over Nederland is verdeeld. Slechts 34 procent ervan bevindt zich in het westen van het land. En juist dáár neemt het aantal banen toe. Volgens Lisa, een samenwerkingsverband van allerlei overheidsinstanties dat zeer gedetailleerde arbeidsmarktinformatie verzamelt, komt in 1998 meer dan de helft van de banengroei op het conto van de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. Landelijk groeide het aantal banen met bijna 240.000, ofwel met 3,7 procent. Maar in boomtowns als Amstelveen, Almere, Nieuwegein en Haarlemmermeer ligt het groeipercentage boven de 10 procent. Als die groei nog even doorzet, heeft Haarlemmermeer binnenkort meer banen dan inwoners.

Evenals in de jaren vijftig is het nu in grote delen van het gebied waar de banengroei zich voordoet niet gemakkelijk om aan woonruimte te komen, en zeker niet voor een prijs zoals bijvoorbeeld in Groningen. De woningmarkt, files en gebrekkig openbaar vervoer belemmeren een effectieve werking van de arbeidsmarkt.

Werkgevers zijn zich in toenemende mate bewust van dat probleem. Het VU Ziekenhuis in Amsterdam is parkeerplaatsen gaan reserveren voor het eigen personeel ten koste van patiënten en hun bezoekers. De Amsterdamse politie onderzoekt of ze iets kan doen om het eigen personeel aan woonruimte te helpen in de stad.

Niet alleen tussen regio's bestaan aanzienlijke verschillen in banengroei, ook tussen sectoren. Het is vooral de zakelijke dienstverlening, waaronder een groot deel van de automatisering valt, die groeit als kool. In 1998 kwamen er daar volgens Lisa-cijfers 63.800 banen bij, een groei van 8,4 procent. Die groei komt bovenop de vervangingsvraag wegens pensionering, ziekte of vertrek naar andere sectoren. Voor zulke groei valt nauwelijks op te leiden. De concurrentie leidt tot spectaculaire wervingsacties en scherpe imagocampagnes. Waar de ene automatiseerder er de nadruk op legt dat bij hen iedereen strak in het pak loopt, benadrukt de ander juist dat je daar ook zonder stropdas terechtkunt. Een werkgever als lifestyle-element.

Tot dusverre heeft die schaarste geen noemenswaardig effect op de lonen gehad. Het is begrijpelijk dat werkgevers een zekere huiver hebben voor hogere salarissen, anderzijds kunnen sectoren als de zakelijke dienstverlening of de detailhandel dat doorberekenen aan hun klanten: meer en beter personeel betekent meer omzet.

Gezondheidszorg, onderwijs en politie hebben die mogelijkheid niet. Die moeten rondkomen met door de politiek vastgestelde budgetten. Ook in de secundaire arbeidsvoorwaarden zijn hier de mogelijkheden beperkt. Lease-auto's of opties zitten er niet in en zelfs een parkeervergoeding blijkt vaak te veel gevraagd. Ze zochten alledrie hun heil in imagocampagnes.

Uit de belangstelling die er is voor werk in die sectoren blijkt dat de gezondheidszorg en de politie helemaal geen imagoprobleem hebben. Onder schoolverlaters en anderen is er volop belangstelling voor werk in de zorg of bij de politie. Wel hebben beide sectoren problemen om personeel vast te houden. Bij de politie spreekt men van een `draaideureffect' voor vrouwen en allochtonen: ze komen binnen, maar velen knappen af op de blanke-mannensfeer. In de bouw slaagt men er naar eigen zeggnn in enkele deelsectoren wél in om die nieuwe categorieën werknemers aan zich te binden, dus misschien moet de politie daar eens een kijkje nemen. Uiteraard is het moeilijker om problemen met het eigen personeel, zoals een slechte sfeer en een hoge werkdruk, bespreekbaar te maken dan om een fraaie imagocampagne op te zetten. Instellingen en korpsen die hun personeelsprobleem willen oplossen, zullen daar toch een keer aan moeten.

Het onderwijs heeft wél een imagoprobleem, met name het voortgezet onderwijs. De belangstelling voor de lerarenopleidingen is miniem, en degenen die daar afstuderen kiezen steeds vaker voor een carrière buiten het onderwijs. De lerarenopleidingen stimuleren dat ook nog eens door afstudeervarianten aan te bieden die expliciet voor andere sectoren opleiden.

Maar vooralsnog is het feitelijk tekort aan leraren niet zo groot: het gaat om ruim duizend vacatures in een sector waar meer dan 200.000 mensen werken: een half procent vacatures, dat is veel minder dan in de zorg (3 procent) of bij de politie (3,5 procent), laat staan in de automatisering (9 procent). De vergrijsde onderwijssector is vooral bang in de toekomst niet aan de vervangingsvraag te kunnen voldoen. Of die angst terecht is, moet nog blijken.

Uit de rondgang langs een aantal sectoren die in deze serie zijn belicht blijkt dat de aard van de problemen per branche verschilt. Ook bestaan er grote regionale discrepanties tussen vraag en aanbod. Generieke oplossingen, zoals allemaal een paar uur meer werken, zullen dus weinig zoden aan de dijk zetten. Daarvoor heeft Nederland te veel verschillende arbeidsmarktproblemen.

Dit is het afsluitende artikel in een serie van 7. De voorgaande artikelen verschenen op 16 en 25 november, en op 1, 10, 17 en 21 december.