Vietnam wil erbij horen, maar de vaart is eruit

Het elan van de eerste helft van de jaren negentig is verdwenen. De recente opleving in grote delen van Azië gaat vooralsnog aan Vietnam voorbij en het vertrouwen in snel herstel neemt af. Een gebrek aan durf houdt verdere hervormingen tegen. ,,We moeten door. Maar het lijkt of onze regering niet wil luisteren.'' Zagen buitenlandse investeerders te vroeg gouden appels aan de bomen hangen?

Haar fiets wordt door twee oudere vrouwen op het modderige bergpad zwaar beladen met plastic vloermatten. Eenmaal op de geasfalteerde weg durft de jonge vrouw de afdaling aan. Ze zwabbert heel even na het opstappen, maar heeft dan haar stuur stevig in handen. Het gaat in grote vaart.

In de berghut, waar ze haar Chinese smokkelvrachtje heeft opgehaald niet ver van het begin van Highway no 1, liggen nog stapels spijkerbroeken en winterjacks met rode raffia samengebonden. Die gaan pas 's nachts op de fiets naar beneden vanaf de Vriendschapspas, hier aan de grens van China en Vietnam in de buurt van de provincieplaats Long Son.

De grenspolitie zwaait, hooggezeten op kartonnen dozen vanaf een vrachtauto. De agenten controleren in hurkzit elektronische apparatuur op serienummers. De vrachtbrieven kloppen niet, maar na een paar uur weet de chauffeur de douane te overtuigen met een bundel bankpapier onder tafel. Eenmaal weg van de bergpas begint de handel. Twintig à dertig procent van alle geïmporteerde goederen in Vietnam komt via smokkel het land binnen. Voornamelijk uit Thailand via Cambodja en Laos, vanuit China zoals hier in Dong Dang en verderop in Lao Cai en meer naar het oosten in Mong Cai en vaak ook over zee.

Die ontduiking van invoerrechten, het dumpen van goedkope goederen die de eigen industrie grote schade toebrengt samen met de verspilling in de staatsbedrijven, heeft de jonge tijger Vietnam in een stropersklem gejaagd. De economie groeit weliswaar licht met drie procent, maar de recente opleving in grote delen van Azië gaat vooralsnog aan Vietnam voorbij. Buitenlandse investeringen zijn met tweederde teruggelopen tot 600 miljoen dollar dit jaar. Het vertrouwen in snel herstel kalft af door toenemende inflatie (9 procent), teruglopende consumptie, importrestricties en stijgende werkloosheid. Op een bevolking van 78 miljoen komen er jaarlijks 1,3 miljoen werkzoekenden bij. De voorraden bij de staatsbedrijven, waarvan 60 procent met verlies werkt, lopen op en afnemers blijven weg.

,,Het is niet gemakkelijk om met een grens van 4.000 kilometer de zaak in de gaten te houden. Maar bij al die smokkelwaar snijdt het mes in de eigen vinger en is er te weinig controle. Bijna veertig procent van de tandpasta op de markt is gesmokkeld, voornamelijk uit Thailand. Hoe boksen we daar met onze lokale industrie tegenop?'' vraagt mevrouw Dao Tuyet Mai in de kille directiekamer van Unilever voor een felverlichte uitstalkast van de meer dan veertig producten die Unilever hier in Hanoi en elders in Vietnam maakt. Haar bedrijf looft premies uit om gesmokkelde producten op te sporen en de handelaren aan te geven. Zij geeft hoog op van de dialoog die de werkgevers sinds een jaar geregeld met vertegenwoordigers van de regering heeft over de moeilijkheden bij het productieproces.

Sommige artikelen worden van stempeltjes en plakkertjes voorzien om aan te geven dat het lokaal gemaakte producten zijn, maar in die stempels wordt ruim gehandeld, facturen worden meerdere keren gebruikt en de douane wordt vaak omgekocht. De schade aan de economie beloopt miljarden dollars.

Bij de Kamer van Koophandel aan de Dao Duy Anh straat in Hanoi is het dringen. Jonge mannen en vrouwen staan in rijtjes voor de bureaus om werk te zoeken. Behulpzaam richten ze zich tot de bezoeker. Of ze kunnen helpen om het juiste kantoor aan te wijzen. ,,Ik kom voor mevrouw Pham Chi Lan'', zeg ik. ,,Heeft u wel een afspraak, want zij is een voorname dame'', zegt een meisje vlak bij de uitgang van de lift op de vijfde etage. ,,Zij is de vice-voorzitter.''

`Een voorname dame'. Die omschrijving kwam je in het communistische jargon hier niet zo vaak tegen. Maar Vietnam wil er nu bijhoren in de wereld. Bij de deur van haar kantoortje vraagt mevrouw Lan of ik nog even wil wachten. Ze heeft twee bezoekers uit de provincie en daar moet nog met enig ceremonieel afscheid van worden genomen. Vijf minuten later is zij zover. Klein postuur, iets gebogen, gekleed in het zwart. Ze schenkt groene thee in. Voornaam, dat klopt en ook nog uitzonderlijk openhartig.

,,U komt op een wat ongelukkig moment. We zien het economische proces hier stagneren en we doen er te weinig aan. Onze regering zou alerter moeten reageren op wat om ons heen gebeurt. Japan, Korea, Taiwan...je ziet overal weer herstel en wij wachten maar af. Bang voor al die veranderingen die vooruitgang nu eenmaal met zich meebrengt. Maar wij kunnen het ons eenvoudigweg niet permitteren om pas op de plaats te maken. We moeten door. Ik zeg het zo vaak. Maar het lijkt of onze regering niet wil luisteren. Natuurlijk, ik ben het met ze eens dat het geleidelijk moet gaan. Niet met schokeffecten die sociale onrust veroorzaken. Maar je ziet toch overal in het land dat we ons elan dat eind jaren tachtig na al die jaren van verschrikkelijke oorlog eindelijk doorbrak niet mogen verliezen. Vietnam heeft een hoog ontwikkeld arbeidspotentieel, maar de vaart is eruit.''

De Amerikaanse ambassadeur Pete Peterson, een voormalige oorlogsvlieger die boven Noord-Vietnam uit de lucht werd geschoten en zeven jaar in Hanoi gevangen zat, valt haar bij. Het handelsakkoord tussen Vietnam en de Verenigde Staten is op het laatste moment door de Vietnamese leiders opgehouden en niet duidelijk wordt waar de schoen wringt. Peterson is van mening dat Vietnam een keuze heeft gemaakt voor ,,de status quo, een politieke daad die steeds negatievere invloed heeft op de economie van het land.''

Een Nederlandse ondernemer die in een joint venture zit met Vietnamezen in Ho Chi Minh Stad, is het met Peterson eens. ,,Wat je ziet zijn zeer capabele ambtenaren bij de ministeries van Plan en Industrie, van Wetenschap en Technologie en van Handel. Die weten maar al te goed wat er moet gebeuren. Zij houden een pleidooi om de regering losser te maken van de communistische partij en meer kansen te bieden aan privé-ondernemingen, maar zij krijgen dat beleid niet uitgevoerd. Op provinciaal en lokaal niveau houden de volkscomité's vergaande hervormingen tegen, bang als ze zijn hun positie daarmee in te perken. Zonder veel competentie zijn veteranen daar vaak aan de macht gekomen. Zij staan zich er op voor dat ze vijfentwintig jaar geleden de Amerikanen hebben verslagen, maar dat is niet meer de mentaliteit om er in Azië bij te willen horen. Die geschiedenis zou begraven moeten zijn als je verder wilt, maar is dat nog steeds niet.''

Binnen de communistische partij wordt nu een grote campagne gevoerd om corruptie tegen te gaan. Een enkele bestuurder wordt de laan uitgestuurd. Maar bij de evaluatie van hulpprojecten blijkt vaak dat op provinciaal en lokaal niveau een veelvoud aan partijleden zich verrijkt. Nederland heeft een programma van UNDP (Ontwikkelings Programma van de Verenigde Naties) met 6,4 miljoen gulden ondersteund voor beter bestuur in de provincie Quang Binh. Veertig procent van het geld werd uitgegeven aan studiereizen en training. Het waren vaak de kinderen en familieleden van de autoriteiten die de reisjes naar het buitenland maakten en als dank nog een lesje achteraf verzorgden voor de lagere ambtenaren. Het was volgens het landenverslag van The Economist weggegooid geld en de hulp uit Nederland werd alleen gebruikt om de partijbonzen aan de macht te houden door ze de gelegenheid te geven zich als Sinterklaas uit te leven.

De donorlanden, die Vietnam dit jaar 2,7 miljard dollar hulp hebben toegezegd maar waarschijnlijk slechts de helft kunnen uitgeven omdat er onvoldoende zekerheid is over de juiste besteding van die gelden, eisen van de regering vergaande hervormingen, speciaal op het terrein van de staatsbedrijven.

Slechts veertig procent van de bijna 6.000 staatsbedrijven maakt winst. Het ontwikkelen van één arbeidsplaats in een staatsbedrijf kost gemiddeld 18.000 dollar. In het midden- en kleinbedrijf is dat slechts 800 dollar. Ministeries stoppen zestig procent van alle investeringen in staatsbedrijven, driekwart van alle leningen in buitenlandse valuta, terwijl die fabrieken slechts 30 procent aan het bruto nationale product bijdragen. Zij kunnen niet of nauwelijks concurreren met buitenlandse producenten. De prijzen die bij de staatsondernemingen worden vastgelegd liggen 20 tot 60 procent boven die van importen. Maar omdat de regering die importen tegenhoudt, betaalt de bevolking te veel voor de mindere kwaliteit van lokaal geproduceerde suiker, cement, staal en kunstmest. Banken worden verplicht krediet te geven aan de staatsbedrijven, maar bij de helft van die kredieten is het onzeker of ze ooit zullen worden terugbetaald, hetgeen heeft geleid tot een crisis bij de banken en de roep om sanering. Omdat staatsbedrijven orders krijgen om een bepaalde omzet te halen wordt het krediet van de banken gebruikt voor gigantische, vooralsnog onverkoopbare voorraden. Dat alles onder de leuze: jij moet doen wat ik wil zodat ik beantwoord aan de verwachtingen die de Partij weer van mij heeft.

De in het vooruitzicht gestelde privatisering van een aantal staatsbedrijven verloopt moeizaam. De procedures zijn onduidelijk en bij de regering heerst grote angst voor de sociale gevolgen van ontslagen. Bovendien willen de machthebbers dat alle beslissingen in goede harmonie worden genomen en daarom stellen zij controversiële beslissingen uit en schuiven zij de privatisering van staatsbedrijven voor zich uit.

Ivo Havinga, voor de Europese Unie werkzaam op het ministerie van Planning in Hanoi, is van mening dat Vietnam het accent zwaarder moet gaan leggen op het enorme landbouwpotentieel. ,,Omdat de boeren in de lokale overgewaardeerde dongs worden uitbetaald krijgen ze relatief te weinig voor hun producten en profiteren ze niet van de hogere prijzen die bij export worden betaald in buitenlandse valuta. Daardoor zijn zij niet in staat om het potentieel van hun kleine lapjes grond (in twintig jaar tijd werd de hoeveelheid land per gezin gehalveerd) beter te benutten en te besteden. Zij kunnen eenvoudig niet voldoende investeren. Ze moeten te veel betalen voor de in Vietnam van staatswege geproduceerde kunstmest, voor werktuigen, voor koeien, varkens en pluimvee, voor zaden voor andere gewassen en jonge fruitbomen. Daardoor blijft de ontwikkeling van het platteland achter. Maar het land houdt een geweldig potentieel: lage lonen, een goede ligging, weliswaar af en toe de rampspoed van een tropische wervelwind en overstromingen, maar vaak twee tot drie oogsten per jaar en een groeiende consumentenmarkt van 78 miljoen inwoners. Die economische kracht wordt niet voldoende benut.''

Ook de Wereldbank houdt in een recent rapport Vietnam voor de ontwikkeling van de plattelandssector een grotere prioriteit te geven. Is het gemiddelde inkomen in Vietnam 350 dollar per jaar, buiten de steden is dat slechts 100 dollar per jaar voor 70 procent van de bevolking. Daardoor hoort Vietnam bij de veertig armste landen van de wereld. Slechts drie procent van alle bestedingen wordt op het platteland gedaan en slechts 1,2 procent wordt werkelijk uitgegeven.

Raakt de ontwikkeling van het platteland verder achterop, dan zullen volgens het rapport van de Wereldbank de spanningen, de soms vergaande armoede en de sociale onrust toenemen. Dat bleek vorig jaar toen massa's boeren uit protest tegen de steeds oplopende kosten (veel hoger dan in de steden) van wegen, scholen, gezondheidszorg, watervoorziening en elektriciteit te hoop liepen en het leger werd ingezet om ze weer in het gareel te krijgen.

Die dreiging is niet geweken en de leiding van het land beroept zich op het gevaar van sociale onrust om verdere hervormingen slechts mondsjesmaat toe te staan. Op den duur zullen het handelsakkoord met de Verenigde Staten en de afspraken en de verplichtingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie ook Vietnam dwingen om bescherming van de eigen industrie en handelsrestricties meer en meer op te geven. Maar voorlopig stagneert het elan van de eerste helft van de jaren negentig.

Misschien hebben buitenlandse investeerders, met name Aziaten, te vroeg gouden appels aan de bomen zien hangen en is de leiding van het land geschrokken van de eigen voortvarendheid. Maar de ideologen van de partij vinden op dit moment dat het zo allemaal mooi genoeg is en houden niet op te verklaren dat Vietam rekening dient te houden met vijandige krachten, zowel in eigen land als in het buitenland, die de stabiliteit willen ondermijnen. Meer geven ze niet aan, maar het was voldoende om een ambassadeur van een land dat grote investeringen wil doen in Hanoi te laten zeggen: we hebben zeker nog acht staatsbegrafenissen nodig voordat het hier weer een beetje normaal wordt en het vertrouwen van de eerste economische opleving van het begin van de jaren negentig weer terug is.