Pensioenreparatie met terugwerkende kracht

De Hoge Raad oordeelde in een arrest van 3 december jl. dat vrouwen die waren uitgesloten van de deelneming in een ondernemingspensioenregeling, alsnog met een terugwerkende kracht van 30 jaar pensioenopbouw kunnen claimen. Kunnen alle (gehuwde) vrouwen en deeltijdwerkers – vaak ook vrouwen – hiervan profiteren en over de afgelopen 30 jaar alsnog aanspraak maken op pensioen? Dit wordt in reacties op het arrest wel gesuggereerd. De juridische betekenis van het arrest is echter minder verstrekkend. Voor het juiste perspectief is van belang dat sedert mei 1990 bedoelde uitsluitingen van de deelneming in pensioenregelingen niet meer voorkomen. Toen besliste het Europese Hof van Justitie immers in de befaamde Barber-zaak dat ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen in pensioenregelingen strijdig is met de verplichting tot gelijke beloning. De vraag was toen vervolgens vanaf welke datum vrouwen en deeltijdwerknemers toelating tot de pensioenregeling zouden kunnen afdwingen. Hierover gaf het Europese Hof in 1994 duidelijkheid: met terugwerkende kracht tot 1976 kan aanspraak gemaakt worden op gelijke pensioenopbouw. Pensioenreparatie voor vrouwen en deeltijdwerkers met terugwerkende kracht over alle diensttijd vanaf 1976 lag hiermee in het verschiet.

De praktijk bleek nog heel wat obstakels te bevatten om die pensioenreparatie werkelijk af te dwingen. Ten eerste bleken werknemers lang niet altijd te kunnen aantonen dat zij vanaf 1976 hadden gewerkt. En als het bestaan van een dienstverband al aannemelijk was, bleek het vervolgens bijna onmogelijk om aan te geven welk loon men precies had ontvangen. Dat gegeven is essentieel om de pensioenrechten uit te rekenen. In de praktijk is een aantal malen met aannames ten aanzien van deze punten gewerkt.

Een tweede probleem deed zich voor bij de premiebetaling. Indien de werkgever niet meer bestond, kon deze de premie uiteraard ook niet meer afdragen. In die gevallen konden de pensioenuitvoerders het standpunt huldigen: no pay, no cure, als de premie over het verleden niet alsnog betaald wordt, repareer ik de pensioenrechten niet. Mocht de werkgever nog wel in staat zijn de eigen premie te betalen, dan was er ook nog de eigen premie ten laste van de werknemer zelf. Volgens de uitspraak van het Europese Hof mag deze opgeëist worden. Dat is ook logisch. Zouden de werknemers de premie niet hoeven te betalen, dan zouden zij `gratis' pensioenrechten krijgen, waar de (mannelijke) collega's – die in het verleden gewoon deelnemer waren in de pensioenregeling – wel een eigen bijdrage aan de pensioenregeling hadden moeten betalen. Die premiebetaling over een groot aantal achterliggende jaren is voor lang niet alle werknemers alsnog op te brengen.

Wisten werknemers echter ook deze hobbel te nemen, dan liepen zij vervolgens in de fuik van de verjaringstermijn. Nationale verjaringstermijnen mogen ingeroepen worden, zo besliste ook het Europese Hof, maar dan mocht de verjaringstermijn niet zo kort zijn dat het voor werknemers onmogelijk werd hun recht op gelijke beloning wat betreft de pensioenen af te dwingen. Hoe zit dat met de verjaringstermijn? Pensioenuitvoerders beriepen zich in een aantal gevallen op een verjaringstermijn van 5 jaar die geldt voor vorderingen tot premiebetaling. Indien de werknemer evenwel de gemiste pensioenopbouw vorderde als schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, waren er ruimere mogelijkheden. Daarbij was de lengte van de verjaringstermijn ook nog afhankelijk van het tijdstip waarop de vordering werd ingediend. Wanneer de vordering voor 1 januari 1993 aanhangig is gemaakt, is het Oude Burgerlijk Wetboek van toepassing. Dan geldt er een verjaringstermijn van 30 jaar. Op zo'n eigenlijk oud geval heeft het arrest van de Hoge Raad van 3 december betrekking. Voor alle vorderingen ingediend vanaf 1 januari 1993 – en dat betreft het gros van alle vorderingen – heeft de uitspraak van de Hoge Raad geen betekenis. Op die vorderingen is volgens het Nieuw Burgerlijk Wetboek een verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing, te rekenen vanaf het moment dat de werknemer bekend was met de pensioenschade.

De vraag waarover nu nog verschillende rechtzaken lopen is op welke datum de vrouwen en deeltijdwerkers bekend waren met de pensioenschade die zij ondervinden doordat zij niet in de pensioenregeling deelnamen. Meestal wordt dan gekeken naar het moment waarop de betrokken werknemers wisten of moesten weten dat hun uitsluiting van deelneming in de pensioenregeling onrechtmatig was. Sommigen stellen dat dit al in 1987 het geval was, omdat het Europese Hof toen ook al had beslist dat ongelijke behandeling in pensioenregelingen niet is toegestaan. Anderen beweren dat die bekendheid met de pensioenschade pas door de uitspraken van het Europese Hof uit 1994 is ontstaan. Wat het meetpunt is, zal in de rechtspraak moeten blijken. In ieder geval is wel duidelijk dat het nog geenszins een uitgemaakte zaak is dat alle vrouwen en deeltijdwerkers met een terugwerkende kracht van 30 jaar recht hebben op pensioenreparatie.

Prof. dr. E. Lutjens, hoogleraar Pensioenrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam en advocaat te Amstelveen