De vele vertakkingen van het realisme

De vele vertakkingen van het vooroorlogse realisme zijn het onderwerp van de verrassende expositie Magie en Zakelijkheid, Realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945 in het Arnhemse museum voor Moderne Kunst. Meer dan 16O kunstwerken van zestig schilders, van wie er veel, soms ten onrechte, in het vergeetboek zijn geraakt.

Hiermee wordt voor het eerst een periode in kaart gebracht die in Nederland altijd in het teken stond van een beperkt aantal kunstenaars; de herenclub van de magisch realisten met Carel Willink, Pyke Koch, Wim Schuhmacher, Dick Ket en Raoul Hynckes en kopstukken als Charley Toorop, Edgar Fernhout of Joop Moesman. Ze worden nu behandeld als de representanten van een stroming die in wezen een vergaarbak was. Een tijdgenoot als de kunstcriticus S.P. Abas constateerde al in 1937 dat er evenveel soorten realisme als typen kunstenaars waren.

Met deze wetenschap hebben de tentoonstellingsmakers hun voordeel gedaan. Geen indeling van de kunstenaars in hokjes maar een rangschikking van de kunstwerken naar de verschillende thema's zoals portretten, stillevens, naakten of architectuur. En dat heeft de levendigheid bevorderd. De koele en analytische blik op de werkelijkheid leidt zo nu en dan - gewild of ongewild - tot amusante taferelen. De meest pietepeuterig geschilderde werkjes trekken de aandacht door composities die zo gekunsteld zijn dat ze hilarisch worden.

Zo laat Ger Langeweg in zijn Stilleven voor het Raam, uit omstreeks 1930, twee kennelijk suïcidale preien voor een open raam op de rand van een kan balanceren, die tevens als steunpunt fungeert voor een stenen pijp met een onwezenlijk lange en dunne steel.

Roerloosheid is misschien het belangrijkste en meest vervreemdende effect in het neo-realisme. Vaak hebben Carel Willink en Pyke Koch gebruik gemaakt van foto en stilgezet filmbeeld. Dit had niets van doen met het foto-realisme, waarin bijkomstigheden vaag worden gehouden ter wille van het onderwerp. Het inzoomen op welgekozen details hanteerden de schilders juist om de kleine tovertrucs van het illusionisme te kunnen uitvoeren: een glimlicht, een barstje in een kom, oneffenheden in vloer of muur, een net echte voeg in metselwerk, veren van stola's.

Die gelijkwaardige weergave van hoofd- en bijzaken zie je vaak terug. In Vrouw voor het raam uit ca. 1928, neemt Wout Schram de moeite om het uitzicht op de verlaten straat met twee geparkeerde auto's waar hij zijn atelier had, even nauwgezet weer te geven als de kanten kraag en het rood gestifte Cupido-mondje van de vrouw op de voorgrond. Willinks amusante Damesportret, uit 1927, dat zijn eerste vrouw voorstelt, bestaat zelfs louter uit details. Een groepering van voorwerpen en lichaamsdelen waarop hij de schilderkunstige trucjes toepaste die hij in latere werken zou perfectioneren. De suggestie van een complete vrouwengestalte rijst op uit benen met zijden kousen die van steelse, omhoogwijzende pijltjes zijn voorzien, in een lichaamsvorm gedrapeerde lappen, een bontvosje, te grote, vrijzwevende zwarte glacé-handschoenen en een grappig meisjeshoofd met hoedje.

Zoveel hoofden zoveel zinnen geldt voor de vertegenwoordigers van de ooit nieuwe tendensen in de kunst, waarop met de vrije hand etiketten werden geplakt als neoclassicisme, nieuwe zakelijkheid, neorealisme of magisch realisme. Een schilder als Dick Ket weet bijvoorbeeld op miraculeuze wijze met een paar eierschalen en vergeelde papieren een melancholiek beeld over ruimte en tijd op te roepen. Rebecca van Gelder, in 1945 gestorven in Bergen Belsen, schilderde op haar beurt in een aan Georg Grosz verwante stijl ironische taferelen van de burgerij in een concertzaal of aan de roulettetafel. En Nola Hatterman, die tekenles in Suriname gaf, portretteerde een zwarte heer met zwierige Panamahoed, vlinderdasje en witte handschoenen die aan een cafétafel een grote pils consumeert. Zelfs zijn krant op tafel is te lezen.

In de informatieve en rijk geïllustreerde catalogus is een tekeningetje van A.T. Nolthenius opgenomen dat de Statistiek der Schilderkunst over 1940 voorstelt. Deze pseudo-inventarisatie van de op de verschillende composities afgebeelde objecten toont onder meer appels, sinaasappels, een groot rek met eieren, haringen, chrysanten, zonnebloemen, kool, lege flesen, gemberpotten en tinwerk. De verbeten precisie waarmee al deze objecten werden weergegeven omschreef de eerder genoemde criticus Abas ooit als `een hardnekkig-Hollandse wijze van zien'. Maar de oriëntatie op de schilderkunst uit eigen land was nu juist een internationaal verschijnsel tijdens het interbellum. Zoals de Duitse en Franse geestverwanten zich door hun eigen culturele erfenis lieten inspireren, zo knoopten de Nederlandse schilders ook bij de traditie aan waarbij kunstenaars variërend van Van Eyck tot Vermeer opnieuw ontdekt werden. Een van de Arnhemse zalen heeft als motto een uitspraak over het realisme van een andere criticus, Kasper Niehaus, meegekregen: `Een schijndode wereld met stenen landschappen, misantropisch, hard en koud, waarin geen mens beweegt.' Maar ook daar kom je niet mee weg. De schilders hielden zich gelukkig niet aan de afspraken die de buitenwereld hen trachtte op te dringen. De inhoud van hun kunst bestrijkt zowel het opgewekte anarchisme van Moesman als het getrapte cynisme van Koch tot en met de verheven dromen van Schuhmacher.

Tentoonstelling: Magie en Zakelijkheid, Realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945. T/m 7/2/00. Museum voor Moderne Kunst, Arnhem. Open: di-vr van 10-17 uur; za/zon/feestdagen 11-17 uur; 1/1/00 gesloten. Catalogus: fl. 65,-; gebonden fl. 85,-.